Studenten gaan straks naar China

Waarom bezuinigt Nederland op onderwijs en onderzoek, terwijl het plan juist was om te investeren?

Op deze manier haalt Azië ons in.

De Chinese economie groeit hard, vooral dankzij de export naar het Westen. Aanvankelijk ging het voornamelijk om producten uit de simpele maakindustrie, zoals kleding en speelgoed. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw worden ook steeds meer technisch geavanceerde producten uitgevoerd, zoals computers, telecommunicatieapparatuur en consumentenelektronica. De omvang van de export is spectaculair gegroeid.

Vanwege de grote loonverschillen drong in het Westen al vrij snel het besef door dat concurreren met China in genoemde sectoren bij voorbaat een verloren strijd zou worden.

Om toch een leidende positie in de wereld te behouden, bedacht de Europese Unie om zich op de kenniseconomie te richten en de maakindustrie maar aan landen als China, India en andere ontwikkelingslanden over te laten.

De zogeheten ‘Lissabon-agenda’ had als doelstelling om in 2010 van de Europese Unie de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te maken. Daarvoor werd afgesproken dat iedere lidstaat minstens 3 procent van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling zou besteden. De overheid zou daarvan eenderde voor haar rekening nemen en het bedrijfsleven de rest.

Inmiddels is duidelijk geworden dat de Lissabon-agenda bij lange na niet is gerealiseerd. Met uitzondering van de Scandinavische landen heeft geen enkel land die 3 procent gehaald. Ook de komende jaren zal hier weinig van terechtkomen. Vanwege de financiële en economische crisis en de opgelopen overheidstekorten, wordt er in de meeste lidstaten fors bezuinigd, ook op onderwijs en onderzoek. Zo wil het kabinet Rutte in 2012 370 miljoen bezuinigen op de uitgaven voor het hoger onderwijs.

Intussen heeft ook China het belang van de kenniseconomie ontdekt en investeert het fors in onderwijs en onderzoek. Het land verleidt vooraanstaande onderzoekers met een Chinese achtergrond om naar China terug te keren. De zeer aantrekkelijke voorwaarden trekken menige topper over de streep.

Daarnaast worden zeer grote aantallen Chinese studenten en jonge onderzoekers via een beurzenstelsel in de gelegenheid gesteld om in het Westen aan de grenzen van de wetenschap te werken, om na afronding een aanstelling te krijgen aan een van de Chinese topuniversiteiten of onderzoeksinstellingen. Ook biedt de Chinese regering buitenlandse onderzoekers deeltijdbanen aan bij een beperkt aantal geselecteerde Chinese universiteiten, om samen met Chinese collega’s onderwijs en onderzoeksprogramma’s te ontwikkelen.

Hoe kan het Westen zich staande houden in deze strijd? Chinese studenten en onderzoekers weren is geen optie, omdat onderwijs en onderzoek in het Westen in toenemende mate op hen steunen. Zo vormen de collegegelden die Chinese studenten moeten betalen een belangrijke aanvulling op de reguliere budgetten.

Van groter belang is echter dat het voor westerse bedrijven, universiteiten en onderzoeksinstellingen steeds moeilijker wordt goede inheemse onderzoekers te vinden, waardoor men steeds meer aangewezen is op het potentieel in China en andere ontwikkelingslanden. Door de vergrijzing die ook de westerse universiteiten en onderzoeksinstellingen begint te raken, zal deze afhankelijkheid alleen maar toenemen.

Ook de invoering van beperkingen op overnames van technologisch geavanceerde westerse bedrijven, zoals bepleit bij de overname van Draka, is geen oplossing. Immers, de Chinezen zullen terugslaan door barrières op te werpen voor westerse bedrijven op de Chinese markt, of door een minder hulpvaardige houding bij reddingsoperaties van zwakke EU-landen, zoals Griekenland. Maar het zal ook een impuls betekenen voor de Chinezen hun eigen innovatie te stimuleren met als gevolg op termijn meer concurrentie voor het westerse bedrijfsleven in China, maar ook daarbuiten.

De enige oplossing is om de opbouw van de westerse kenniseconomie serieus ter hand te nemen. Voor Nederland betekent dit: zie af van bezuinigingen op onderwijs en onderzoek. En schroef op termijn de uitgaven voor kennis op tot het niveau van de Lissabon-agenda. Er moeten meer inspanningen worden gedaan om goede studenten en wetenschappers uit China aan te trekken. Chinese universiteiten moeten meer samenwerken. En er moeten geen irrationele barrières worden opgeworpen voor overnames door of samenwerking met Chinese bedrijven.

Daarnaast is het van groot belang om een lange termijnvisie te ontwikkelen op de positie van het Westen en daarbinnen van Nederland, in een wereld waarin het economische zwaartepunt zich steeds meer richting Azië verplaatst en de welvaart met steeds meer landen zal moeten worden gedeeld.

Henk Folmer is hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Groningen en de Northwest A&F University, China.