Nescio en 'de rotheid van dezen wereld'

Nescio moest wijken voor Kunduz. Misschien kan de dag van gisteren op die manier het best worden samengevat.

Op het einde van de middag zou Nescio-liefhebber Job Cohen in Amsterdam het eerste exemplaar van een nieuw boek over Nescio in ontvangst nemen: Verlangen zonder te weten waarnaar van Maurits Verhoeff. Maar de schrijver en zijn uitgever Bas Lubberhuizen hadden grote pech: Cohen moest afzeggen wegens de politieke ontwikkelingen in Den Haag.

Voor mij persoonlijk was er nog enige compensatie omdat ik tijdens de presentatie naast fotograaf Eddy Posthuma de Boer kwam te zitten. Die heeft in 1957 Nescio anderhalf uur lang mogen fotograferen in zijn huis aan de Linnaeushof. Het was voor een interview dat Simon Vinkenoog voor de Haagse Post maakte.

Eddy, die dit jaar 80 jaar wordt, kon zich nog herinneren dat de vrouw van Nescio tegen haar man zei: „Pappi, de fotograaf wil een foto maken met jou en de poes op schoot.”

Dat resulteerde in een fameuze schrijver-kat-foto, nog altijd op groot formaat te bewonderen in de Amsterdamse Bijenkorf.

Het boek van Verhoeff bestaat uit een aantal losse, biografische artikelen over Nescio. De twee belangrijkste gaan over Nescio’s lotgevallen als een van de oprichters van de idealistische kolonie Tames en als werknemer van de Handelsvereeniging Holland-Bombay.

Verhoeff voegt hier interessante informatie toe over twee belangrijke episoden uit Nescio’s leven. Mij heeft vooral die baan bij de Holland-Bombay altijd sterk geïnteresseerd. Wat voerde Nescio (onder zijn eigenlijke naam J.H.F. Grönloh) daar precies uit?

De Holland-Bombay was een handelskantoor dat vooral textiel uit Twente en Engeland moest verkopen in India. Grönloh maakte bij dat bedrijf het type carrière waar zijn jongens uit de Titaantjes zo weinig behoefte aan hadden. Nadat hij zich eerst nogal zorgen had gemaakt over zijn, jawel, promotiekansen, klom hij op tot directeur. Hij bewaakte de dagelijkse gang van zaken op het kantoor in Amsterdam en maakte ook een lange zakenreis naar India, waarbij hij al te vaak zijn ‘vervloekte smoking’ moest aantrekken.

Toen het bedrijf in de jaren dertig door de crisis bergafwaarts ging, werden de spanningen hem soms te veel. Hij kreeg inzinkingen en moest enkele keren in een rusthuis worden opgenomen. Al op 55-jarige leeftijd hield hij met werken op.

Mededirecteur Hendrik Muller noemde hem later een rechtschapen man die ‘de redelijkheid nooit uit het oog verloor’. Muller had ook kritiek: Grönlohs werkstijl was ongelofelijk slordig. Hij kleedde zich ook slordig en wist zich geen houding te geven. Zijn ongemanierdheid was op officiële bijeenkomsten soms pijnlijk zichtbaar. Muller probeerde hem te ‘hervormen’, maar Grönloh bleef ongevoelig voor wat hij als de normen van een aristocratische klasse moet hebben beschouwd.

Muller en Grönloh bleven elkaar ontmoeten na hun afscheid bij het bedrijf. Toen Greshoff in een recensie geschreven had dat de schrijver Nescio ‘vrij is van ijdelheid en behaagzucht’, schreef Muller aan Grönloh: „Hij analyseert je goed, vind ik, en ik vraag mij af: heeft hij ook een goede twintig jaar tegenover je gezeten? En daarna maandelijks samen met je de rotheid van dezen wereld beschouwd?”

Ik proef hier echte vriendschap.