Nederland is niet democratisch

Lekenbestuur is de kern van democratie, vinden twee bestuurskundigen. Maar in Nederland zijn laagopgeleiden slecht vertegenwoordigd in het parlement, zo leest politiek redacteur Pieter van Os.

Den Haag : 1 september 2009 Ter gelegenheid van 150 jaar perstribune in de Tweede Kamer, gingen Kamerleden en daarna Kamerleden met parlementaire journalisten op de foto. © foto Roel Rozenburg

Mark Bovens en Anchrit Wille: Diplomademocratie. Bert Bakker, 174 blz. € 17,95

Imrat Verhoeven en Marcel Ham (red.): Brave burgers gezocht. De grenzen van de activerende overheid. Van Gennep, 296 blz. € 22,50

Menno Hurenkamp en Eveline Tonkens: De onbeholpen samenleving. Burgerschap aan het begin van de 21e eeuw. AUP & Nicis Institute, 207 blz. €34,50

Schrijver-journalist Joris Luyendijk heeft zich in deze krant een paar keer opgewonden over een hoorzitting in de Tweede Kamer. Het ging over elektrische auto’s, een onderwerp dat Luyendijk in die tijd bezighield. En wat deden die Kamerleden? Uiterst domme vragen stellen. Luyendijk noemde hun onwetendheid ‘schaamteloos’ en sprak van een ‘bizarre en schokkende ervaring’.

De overtuiging dat Kamerleden dom zijn, leeft breed onder de elite van Nederland. Op feestjes in gearriveerde kringen is zelfs wel te horen dat Kamerleden een test zouden moeten ondergaan voor ze hun zetel mogen innemen. Natuurlijk, democratie is onomstreden, maar tegelijk blijken de gedachten van de antidemocraat Plato springlevend. Hoofdgedachte: het is vreemd dat burgers amateurisme dulden op het schip van staat; niet de passagiers moeten een schip besturen maar professionele zeelui. Een dokter behoeft een jarenlange opleiding. Waarom een politicus dan niet?

Plato maakt dit punt in de Politeia, waarin hij zijn ideale staat schetst, een samenleving gebaseerd op verdienste geleid door koning-filosofen. In Diplomademocratie laten de bestuurskundigen Mark Bovens en Anchrit Wille met een boeiend, kraakhelder betoog zien dat deze Platoonse utopie, hoewel altijd gekwalificeerd als antidemocratisch, niet ver staat van de Nederlandse werkelijkheid. Opleiding bepaalt ons wezen én plek in de samenleving. Op een handvol profvoetballers, volkszangers en BN’ers na zijn laagopgeleiden de verliezers van de samenleving. Ze leven bijna zeven jaar korter dan academici, zijn vaker werkloos, krijgen eerder ontslag en vinden minder makkelijk een nieuwe baan. Met het wegvallen van de zuilen gaan ze ook nauwelijks meer om met hoogopgeleiden. Bij 85 procent van de echtparen in ons land is tegenwoordig sprake van nagenoeg hetzelfde opleidingsniveau. Conclusie: ‘Opleiding is de nieuwe maatschappelijke verzuiling’.

Dat zou allemaal niet zo erg zijn, leggen Bovens en Anchrit uit, als de verliezers van de samenleving politiek zijn vertegenwoordigd. Maar dat is niet zo. Overtuigend tonen ze aan dat Kamerleden juist steeds hoger opgeleid zijn, hoe stuitend dom Luyendijk ze ook vindt. En deze stijging is niet alleen te verklaren uit de algehele stijging van het onderwijspeil in Nederland. Jarenlang schommelde het percentage academici in de Kamer omstreeks de 40 à 50, nu omstreeks de 90. Met het vertrek van Remi Poppe bestaat zelfs de Kamerfractie van de socialistische SP uit louter hoogopgeleiden.

Bovens en Wille vinden dit principieel onjuist. ‘Lekenbestuur vormt de kern van de democratie. Elke burger heeft het recht om zich verkiesbaar te stellen, elke burger kan wethouder of minister worden, ongeacht zijn formele kwalificaties. Zo was het in Athene, de bakermat van de democratie, en zo staat het ook in artikel 4 van onze Grondwet.’ In een democratie bepalen de leken op voet van gelijkheid het reisdoel. Kennis of niet. Daarna ‘is het aan de stuurlui (het kabinet) en de bemanning (de ambtenaren) om het schip van staat daar veilig heen te leiden’. Want democratie is geen technocratie, maar gaat ‘ook over strijd, over retoriek, symbolen en visies op het goede leven’.

Bovendien is het volgens de auteurs onverstandig om slechts te rekruteren uit een toplaag. Laagopgeleiden zien dat hun zorgen nauwelijks een rol spelen in de politiek, daar zijn ze slim genoeg voor. Ook de verschillende standpunten inzake immigratie, integratie en criminaliteit leggen de kloof bloot, die volgens Bovens en Wille medeverantwoordelijk is voor de opkomst van populistische partijen als de PVV. Opleiding is nu de beste indicator van maatschappelijke onvrede.

Opvallend genoeg is dit inzicht niet terug te vinden in twee recentelijk verschenen boeken van sociologen. In De onbeholpen samenleving, zoeken auteurs Eveline Tonkens en Menno Hurenkamp wel naar de redenen van de maatschappelijke onvrede. Hun conclusie is dat burgers niet kwaadaardig of lui zijn, net zo min als de overheden waarmee die burgers in aanraking komen. Ze zijn onbeholpen. Het ideaal van vandaag is betrokkenheid, leggen ze uit, maar ‘het probleem is de onbeholpenheid waarmee burgers en overheden deze betrokkenheid vorm willen geven’.

Burgerschap is een ambacht, zeggen ze, en valt dus te leren. Vraag is wel: wie geeft er les? De auteurs antwoorden nergens expliciet, zoals deze sociologen, hoewel beiden ook columnist, in dit boek iedere gedachte graag omfloersen met talloze meer dan zeven lettergrepen tellende woorden die op -isering eindigen. Toch wordt het met elk hoofdstuk duidelijker: zijzelf, academische onderzoekers. Luister naar hen. Deze arrogantie brengt de ergste uitwassen van het maakbaarheidsdenken in herinnering. Ondertussen trakteren ze de lezer op zinnen als: ‘we proberen via de cultuur van burgerschap iets te zeggen over de grammatica van het samenleven.’ Ook schrijven ze dat de onbeholpen burger snel boos wordt en het dan ‘laat bij schelden’. De politiek werkt dit in de hand door te veel begrip, niet te weinig. Die gaat ‘door de knieën om naar het volk te luisteren’. Of erger, door de burger aan het roer te laten. Precies waar Bovens en Wille juist voor pleiten.

Tonkens, voormalig GroenLinks-Kamerlid, schreef ook de conclusie van Brave burgers gezocht – een bundel opstellen waarin het in enkele interessante bijdragen gaat om wat de Franse filosoof Michel Foucault de ‘microkosmos van de macht’ noemde. De vraag van de auteurs is: hoe opereert een bemoeizuchtige overheid die de burger op allerlei manieren probeert op te voeden tot weldenkende, niet scheldende, constructief meewerkende burgers? Weinig succesvol, zo blijkt uit bijna alle vijftien bijdragen.

Een artikel in de bundel laat zien hoe overheden bij het bereiken van klimaatdoelstellingen met klimaatstraatfeesten en een klimaatcampagne (‘Nederland gaat voor een beter klimaat’) het initiatief doodt door het over te nemen. De overheid gaat niet in dialoog met de burger, maar werpt zich op ‘als een soort rattenvanger van Hamelen die hoopt dat burgers zijn fluitspel zullen volgen.’ Twee ambtenaren van Binnenlandse Zaken geven een bloemlezing van de initiatieven over burgerparticipatie uit de afgelopen 25 jaar. Het maakt bijkans lacherig. Al die woorden, al die ‘processen’, al die initiatieven – en voor wat? Om aan de gang te blijven, lijkt hun bondige antwoord. En zij rekenen zichzelf nog wel tot ‘de groep gelovigen in burgerparticipatie’, een minderheid op hun ministerie.

Twee andere auteurs concluderen: ‘Er is een alsmaar uitdijend universum van professionals, onderzoekers, ambtenaren en bestuurders dat met zichzelf praat over participatie.’ En met weinig effect. Zij memoreren nog eens hoe in de afgelopen tien jaar meer dan 20 miljard euro is uitgegeven aan reïntegratieprojecten, zonder dat de kans van ww’ers op een baan noemenswaardig is gegroeid. De auteurs sluiten zich aan bij wat rechtsfilosoof Herman van Gunsteren ooit zei over de ontwikkeling van de zo gewenste ‘civil society’. Daar komt niet veel van terecht als de Staat zich er te enthousiast mee bezighoudt. Want zoals veel van de belangrijkste dingen in het leven, zoals liefde en geluk, komt ook burgerschap enkel als bijproduct tot stand.

Het zou een mooie conclusie van de bundel kunnen zijn. Toch geeft Tonkens in het laatste stuk van de bundel juist een tegenovergestelde politieke vertaling. De ‘dialoog tussen burgers en overheden’ verloopt dan misschien niet optimaal, erkent zij, maar minder dialoog is helemaal verkeerd. En dat valt wel te verwachten met dit kabinet, schrijft ze, wegens de bezuinigingen. En met minder geld kan actief burgerschap gemakkelijk uitmonden in ‘een heerschappij van de hardste schreeuwers’. Hoe, dat laat ze in het midden. Maar dat de bezuinigingen projecten raken waar sociologen graag over schrijven, dat is wel zeker.

Kennelijk ontkomen ook sociologen niet aan wat ze overal in de samenleving waarnemen: groepen behartigen hun belangen. Indirect geeft Tonkens hiermee ook Bovens en Wille gelijk. Die wijzen in Diplomademocratie op de belangen van Kamerleden als groep. Eén van hun onderzoeksresultaten: onder de hele bevolking denkt zo’n 75 procent positief over referenda, onder parlementariërs is dat 49 procent. Nog groter is het verschil in opvatting over de gekozen burgemeester, een baan die Kamerleden dikwijls ambiëren. Volksvertegenwoordigers zeggen naar burgerparticipatie te streven, maar initiatieven daartoe moeten wel onschuldig blijven. Want wie is hier nu de slimste?