Narcist, gelovige en carrièremaker

Hij was ijverig, dol op de Führer, en hij had als meester-propagandist de Duitse publieke opinie in zijn greep. Tenminste, dat deed Joseph Goebbels de wereld geloven.

Peter Longerich: Goebbels. Biographie. Siedler, 910 blz. € 43,95

Harde werkers in de politiek verdienen altijd wantrouwen. Het spreekwoordelijke voorbeeld van zo’n noeste werker, die met zijn onbesuisde dadendrang niets dan ellende heeft aangericht, is Joseph Goebbels (1897-1945), Hitlers propagandaminister en trouwste paladijn. Goebbels bestreed vlagen van somberheid liefst met werk en nog meer werk. ‘Veel gewerkt’ en ‘Hondsmoe’ zijn telkens terugkerende notities in zijn volumineuze dagboeken, een van de belangrijkste bronnen voor de geschiedenis van het Derde Rijk, die pas sinds 2006 integraal, in een wetenschappelijke editie beschikbaar zijn.

Zelfs zijn einde was een staaltje doorgeschoten ijver. Als enige lid van de nazi-top volgde Goebbels de Führer vrijwel meteen in de dood en hij nam zijn vrouw en zes kinderen mee. Aan dat einde kleeft iets onvermijdelijks, meent zijn meest recente biograaf (en pas de tweede die van de volledige dagboeken gebruik kon maken).

Volgens de Duitse historicus Peter Longerich die in Londen doceert, leed Goebbels aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis, die hij in zijn eerste levensjaren moet hebben opgelopen. Daardoor had hij een pathologische behoefte aan erkenning, bevestiging en waardering, vooral van Hitler, die hij uitzinnig vereerde en die hij als onfeilbaar beschouwde. Hitler op zijn beurt kon Goebbels gemakkelijk aan het lijntje houden met goed getimede intieme onderonsjes.

Hol vat

Een psychiatrisch oordeel afkomstig van een auteur die zelf geen arts is, is altijd riskant. Maar er lijkt inderdaad een steekje los te zitten aan de man die eerst de pers knevelde en vervolgens als een kind zo blij kon zijn als diezelfde pers hem alle lof toezwaaide voor een van zijn talloze redevoeringen.

Onlangs laaide in deze krant een oud debat op over de vraag of het nationaal-socialisme gelijk staat aan nihilisme, zoals Rob Riemen schrijft in zijn anti-populistische pamflet De eeuwige terugkeer van het fascisme. Onzin, vond Arnold Heumakers in zijn recensie van het boek in deze bijlage. De aberraties van het nazisme komen volgens hem juist voort uit het misplaatste idealisme van de beweging, juist het tegendeel van nihilisme.

Wat leert het geval-Goebbels over deze kwestie? Journalist en Hitler-biograaf Joachim Fest omschreef Goebbels in zijn boek Das Gesicht des Dritten Reiches als het prototype van een opportunist, een cynicus en een carrièrist, die nergens in gelooft. Goebbels eerdere biograaf Ralf Reuth verzette zich daartegen, hij nam Goebbels’ ideologische opvattingen wél serieus en zag hem als een ‘gelovige’ in de nationaal-socialistische heilsleer.

Longerich gaat nauwelijks in op dit historiografische debat, maar hij staat duidelijk dichter bij Reuth dan bij Fest. Zo mag de veel aangehaalde passage uit Goebbels’ dagboek, aan het begin van zijn loopbaan, dat het er in het leven niet om gaat wat je gelooft, maar dat je ergens in gelooft, volgens Longerich niet zo gelezen worden dat Goebbels een hol vat was, een vaan die door elke ideologische wind kon worden meegenomen. Nationalisme en steeds virulenter antisemitisme waren diep in zijn persoonlijkheid verankerd.

Sportpalast

Longerich rekent daarnaast af met het idee van Goebbels als de meesterpropagandist die de publieke opinie in Duitsland volledig in zijn greep had. Dat beeld is voornamelijk door Goebbels zelf gecreëerd en werkt tot op de dag van vandaag door. De werkelijkheid is complexer. Op veel terreinen is Goebbels niet of slechts half in zijn ambities geslaagd. Zo bleven de verkiezingsresultaten van zijn partij tijdens de republiek van Weimar in Berlijn, waar hij verantwoordelijk voor was als Gauleiter, beduidend en stelselmatig achter bij de rest van het land.

Zijn beruchte oproep tot het voeren van de ‘totale oorlog’ in zijn rede in het Berlijnse Sportpalast in 1943 had aanvankelijk weinig resultaat. Longerich laat bovendien zien dat Goebbels gedurende een groot deel van zijn carrière door Hitler niet werd betrokken bij tal van beslissingen. Zijn taak was om het beleid te verkopen, niet om het te maken.

Ook zijn filmbeleid – Goebbels bemoeide zich tot in de details met de filmproductie – was geen onverdeeld succes. Tenminste, niet in de ogen van Hitler, die scherpe kritiek had op de filmproductie van het Derde Rijk. Zijn oordeel was in de ogen van Goebbels het enige dat telde. Goebbels veranderde keer op keer van koers. Zijn streven om de film tot een nationaal- socialistische prestigekunst te verheffen, had niet het gewenste resultaat. Toen de oorlog eenmaal was uitgebroken, legde hij de nadruk weer op film als escapistisch amusement. Afleiding voor de geplaagde bevolking was toch belangrijker dan ideologische driestheid. Juist als het om kunst ging, stuitte Goebbels op de grenzen van zijn macht. Hij kon de ‘ontaarde’ kunst wel verbieden, maar de kunst die hem wél kon bekoren, kon hij niet per decreet uit een hoge hoed toveren, zo stelde hij zelf mismoedig vast.

Lastig

Overtuigd nationalist en antisemiet – dus toch een gelovige en geen nihilist? Die conclusie blijft lastig. Longerich constateert aan het einde van zijn dikke boek dat er van programmatische en ideologische consistentie bij Goebbels nooit sprake is geweest. Jarenlang behoorde hij tot de radicale, pseudosocialistische vleugel van de NSDAP.

Hitler bewandelde de zogeheten ‘legalistische’ weg die hem uiteindelijk, met conservatieve hulp, aan de macht bracht. Toen ook na de machtsovername zijn gedroomde radicale herschikking van de eigendomsverhoudingen uitbleef, liet Goebbels zijn extreme opvattingen op dit punt stilletjes varen. Hij verruilde zijn proletarische leren jack voor het maatpak van de minister.

Zo ging het veel vaker. Goebbels spreekt in zijn dagboek de hoop uit dat na Hitlers militaire inname van het Rijnland in maart 1936 (‘het Rijk is weer compleet’) een lange periode van vrede zal volgen in Europa. Maar als kort daarop blijkt dat Hitler juist afkoerst op een grote oorlog, kan hij daar ook best in meegaan.

Goebbels’ zelfmoord, en helemaal de moord op zijn kinderen, lijkt het ultieme bewijs dat hij een ware gelovige was, die niet verder kon leven in een wereld zonder zijn afgod Hitler. Maar Longerich onderstreept in zijn degelijke, informatieve biografie die rijk is aan details maar arm aan treffende analyses, ook het theatrale van die laatste daad. Die was vooral bedoeld om de wereld na hem te laten zien wat voor man hij was geweest: trouw tot het bittere einde.

De gezinsmoord was propaganda van de daad. Goebbels’ laatste poging om de beeldvorming rond zijn persoon naar zijn hand te zetten. Dat zou je ook best cynisch kunnen noemen.