Mogen wij nog haantjes zijn?

De moderne man balanceert tussen echt en namaak, tussen agressie en gesprek.

Hij moet daarom zijn ‘authenticiteit’ bevechten, zeggen Kluun én Koch.

Komt een man bij de dokter. Zegt de man: ik heb gehoord dat u soepel bent met pilletjes. Zegt de dokter: dat klopt. Anderhalf jaar later is de man dood en moet de dokter zich verantwoorden voor het tuchtcollege.

Niet ver daarvandaan in dezelfde stad laten twee ambitieuze reclamemakers zich verleiden tot een groot commercieel project: de verkoop van een kolossale hoeveelheid vlaggen, petjes en fluitjes bij de Gay Games. Het project dreigt op een fiasco uit te lopen, een van de mannen moet zich verantwoorden bij zijn vrouw.

In de literaire wandelgangen heten ze K2, de strijders in het grote bestsellerduel. Oplagen van de eerste druk, deze week: 80.000 (Kluun) tegen 100.000 (Koch) exemplaren. Je bent geneigd te denken dat K2 alleen in commerciële zin een twee-eenheid vormt, de auteurs komen uit verschillende werelden: Koch uit die van de Kunst, Kluun uit die van de Kitsch.

Dat is waar, maar ze bewegen snel naar elkaar toe. Herman Koch (1953) is begonnen als gewaardeerd maar niet uitzonderlijk goed verkopende auteur uit de Reve-school: vooral iets voor de VPRO-leden die hem kenden van Jiskefet of mensen die zelf op het Montessori (bij Koch: Montanelli) Lyceum in Amsterdam hadden gezeten. Koch werd steeds meer een plotbouwer en meende dat zijn boeken een groter publiek verdienden, wisselde van uitgever en kreeg twee jaar geleden met Het diner donderend gelijk.

Kluun (pseudoniem van Raymond van de Klundert, 1964) werd met Komt een vrouw bij de dokter een icoon als veelverkoper én als kop van Jut voor iedereen die meende de hogere kunsten te vertegenwoordigen; want, God, wat was dat een rotzooi. Per druk groeide de weerzin, tot aan het miljoenste exemplaar toe.

Maar terwijl Koch niet tevreden was met louter literaire status, neemt Kluun geen genoegen met uitsluitend commercieel succes. In interviews vergelijkt hij zich graag met auteurs als Van der Heijden, Grunberg, Wieringa en Wolkers – steeds in alle bescheidenheid, want Kluun zal nooit nalaten te vermelden dat zij dingen kunnen die hij niet kan. Hij heeft niet de pretentie even literair te zijn, maar ziet geen principieel verschil tussen zijn schrijverij en dat van de kanonnen; voor Kluun is er slechts een gradueel verschil.

Ook inhoudelijk hebben de nieuwe romans van K2 behoorlijk wat gemeen. Het zijn mannenboeken over het mannenbestaan. We zien twee boeken waarin de 21ste-eeuwse man balanceert tussen wat echt is en wat namaak, zich afvragen of hij bier of champagne moet drinken, delibereren over wanneer zijn bestaan succesvol genoeg is en een evenwicht zoeken tussen huwelijksleven en libido, tussen agressieve opwellingen en beschaafde conversatie. Mogen wij nog haantjes zijn?

Daarbij maken beide schrijvers in hun romans dezelfde keuze: de man moet zijn natuurlijke staat terugvinden, of wat hij als zijn natuurlijke staat beschouwt. Daarin wil hij erkenning voor zijn impulsen (drank, onverantwoord zakendoen, de vrouw van een ander), maar hij wil ook in toom gehouden worden. Belangrijker is dat elke vorm van theater en dikdoenerij afwezig blijft, valse eigendunk moet worden uitgebannen. Bij Kluun wordt de authenticiteit bevochten door mannelijke zelfspot, bij Koch door de frontale aanval. We willen een Marlboro-man zijn, maar zonder camera’s.

Kluun plaatst zich met Haantjes vrolijk in een literaire traditie door het boek te modelleren naar een van de allergrootste romans uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis: Kaas van Willem Elsschot. En om te voorkomen dat dat onopgemerkt zou blijven laat hij tegen het eind van het boek een stuk volvette Edammer in een picknicktas verdwijnen en meldt hij in het nawoord waar hij een Elsschotcitaatje had verstopt. ‘Maar dat had u vast al door’ voegt hij daar plagerig aan toe. Ik niet, maar het is vooral de verhaallijn die Haantjes tot een eigentijdse bewerking van Kaas maakt.

In het begin van de roman ontmoeten we de reclamemakers Stijn (inderdaad, dezelfde als uit KEVBDD, zoals dat boek op Twitter heet) en Frenk een archetypische Amsterdamse nicht, Charles. De stad staat aan de vooravond van de Gay Games van 1998 en deze Charles verleidt de jongens van het bureau Merk in Uitvoering tot de productie en verkoop van vlaggen, petjes en andere parafernalia onder de noemer Gay Flags, waarbij het rood in de verschillende landenvlaggen is vervangen door roze.

Zoals Frans Laarmans in Kaas binnen de kortste keren zit opgescheept met een pakhuis vol volvette Edammer, zo wordt het kantoor van Merk in Uitvoering onbegaanbaar door de kartonnen dozen. En waar Frans Laarmans zich verloor in theorieën en omtrekkende bewegingen, zijn Stijn en Frenk ook behendiger met de spreadsheet dan in de daadwerkelijke verkoop. Die krijgt alleen een impulsje als hun familieleden zich ermee bemoeien, ook al een kopie van Kaas.

Voor de goede orde: dat maakt Kluuns roman nog niet Elsschottiaans. Want Stijn van Diepen is een intelligente verteller vol ironie, een man die weet hoe de wereld in elkaar zit, voor wie Gay Flags geen zaak van leven of dood is, maar een avontuurtje, een man die zich amuseert met zijn eigen naïviteit. Frans Laarmans mist juist elke vorm van zelfinzicht, hij wordt gedreven door een verlangen om in hogere kringen te worden opgenomen en stort zich zo in het mes, hij is alleen op de wereld.

Geen Kaas dus, maar Haantjes is geen straf om te lezen. Het is voor Kluuns doen opmerkelijk geserreerd geschreven, onmiskenbaar grappig en het staat vol herkenbare scènes over strakke homo’s en jonge ouders. Het boek bevestigt op een aangename manier vrijwel alle vooroordelen die een mens kan hebben over de reclamewereld en zijn zelfbedachte regeltjes, luchtfietserijen: je begrijpt waarom Raymond van de Klundert meer plezier beleeft aan die andere branche waarin illusies profijtelijk verhandeld worden: de letteren.

Als de reclamejongens van Kluun ooit een project hadden gehad dat zo succesvol was geweest als Het diner van Herman Koch, hadden ze ongetwijfeld geprobeerd dat succes in een handvol punten te vangen en het voor een volgende opdrachtgever in iets gewijzigde vorm te herhalen. Herman Koch kan zoiets ongetwijfeld zonder puntenlijstje, maar het resultaat is er in elk geval naar: Zomerhuis met zwembad lijkt meer op Het diner dan bijvoorbeeld Haantjes op Kaas.

Koch laat zijn verhaal opnieuw vertellen door een man die op het irrationele af scherpzinnig is en die vol vuur ageert tegen de heilige huisjes van de intellectuele middenklasse. In Zomerhuis met zwembad is de huisarts Marc Schlosser aan het woord, die vooral populair is bij toneelspelers en ander cultureel volk omdat hij geen tien, maar twintig minuten per patiënt uittrekt. En dan denken de heren en dames meteen dat er naar hen wordt geluisterd, hoewel Schlosser zijn vak juist niet serieus neemt. Zijn voornaamste taak is om zoveel mogelijk mensen weg te houden bij de echte doktoren, de specialisten.

Zijn hoogwaardige patiëntenbestand bezorgt Schlosser een reeks uitnodigingen voor premières en chique feestjes, waar hij met grote tegenzin heengaat: Koch fileert met overgave de nep van de mensen die zich boven het plebs verheven voelen. De contacten leiden ertoe dat de huisarts met zijn vrouw en dochters belandt in het Frans zomerhuis van de beroemde acteur Ralph Meier. Dat levert prachtige scènes op zoals die waarin de acteur – natuurlijk altijd op zoek naar het lokale slow food buiten de gebaande paden, thuiskomt met een hele zwaardvis in de kofferbak van zijn auto. Hij hakt het beest met veel moeite en uiteindelijk met de moed der wanhoop aan mootjes. Lekker is de vis uiteindelijk niet.

De no-nonsense filippica tegen de grootstedelijke zelfingenomenheid (biologische campinghouders krijgen trouwens ook een veeg uit de pan) is niet het enige sterke element van Het diner dat Koch heeft hergebruikt. Zo is er ook de onbetrouwbaarheid van de verteller en de steeds sterker wordende twijfel aan diens rationaliteit. De ontmythologisering van een alledaags ritueel (nu niet het restaurantbezoek, maar het doktersconsult).

Koch heeft gezegd dat Zomerhuis met zwembad misschien wel een beter boek is dan Het diner en als je naar puur romantechnische elementen kijkt, zit daar wel wat in. En het boek leest als een trein, is grappig en niet oppervlakkig.

Toch sla je het minder voldaan dicht dan Het diner. Zelfs als je niet veel waarde hecht aan de ongeschreven wet dat een kunstenaar zichzelf altijd moet vernieuwen, is dit wel heel erg meer van hetzelfde.

De literaire strijd is ongelijk – Kluun speelt in dat opzicht een paar divisies lager – maar het commerciële duel van K2 kan spannend worden – al lijkt Koch ook daarvoor de beste papieren te hebben: de Haantjes zijn wel erg licht. En als het product van goede kwaliteit is, geeft dat altijd goede vooruitzichten voor de verkoop. Óók als dat product sprekend lijkt op dat van het jaar ervoor. Zoals het strooizout in Haantjes, in een geweldige zin die zo van Koch had kunnen zijn: ‘Er hoeft ’s nachts maar een vlok sneeuw te vallen en de volgende ochtend ligt dat mooie roze wegenzout van mij godverdomme op elke ventweg in Nederland.’

Kluun: ‘Haantjes’ Podium, 192 blz. € 17,50 Herman Koch: ‘Zomerhuis met zwembad’ Anthos, 382 blz. € 20,95