Met niets dan zichzelf om het lijf

Net als in haar vorige bundels overheerst in de nieuwe bundel van Hagar Peeters de lichte toets. ‘Wasdom’ is een allegaartje, maar ook een doos van Pandora waarin het goed grabbelen is.

Hagar Peeters: Wasdom. De Bezige Bij, 171 blz. €18,90

Binnen drie jaar na haar vierde dichtbundel, Loper van licht, komt Hagar Peeters met een ruime keuze uit werk dat ze nog had liggen – inclusief haar jeugdverzen – en poëzie die ze sinds 2008 heeft geschreven. Een allegaartje dus, maar geen rommeltje, want daarvoor is deze dichter te zeer haar eigen regisseur. Wasdom is een doos van Pandora waarin het goed grabbelen is, maar die zich ook heel wel van de eerste naar de laatste greep laat doornemen. De bundel is ingedeeld in vijf reeksen: ‘Strijdperk’, ‘Wederkerigheid’, ‘Wederkeer’, ‘Onomkeerbaarheid’ en ‘Baken’.

‘Strijdperk’ zet stevig in met twee scherp getekende portretten van een grootmoeder wier geloof tot aan de laatste snik een leidraad scheen maar dat toch niet bleek. Vanaf het derde vers spitst de reeks zich toe op de deceptie van het katholieke godsbeeld. Na onder streng pastoraal toezicht dertien kinderen te hebben voortgebracht, belandt de grootmoeder op haar doodsbed. Tegelijkertijd vertoont de televisie ‘het praalgraf van een prins onverlaat’:

gevechtsvliegtuigen vlogen over in eendrachtige salto’s

met een volmaakt rechte uitsparing boven de kist.

De begrafenis was een uitzinnige parade.

Hier ligt ze opgebaard

met niets dan zichzelf om het lijf.

De kracht van Peeters’ dichterschap is dat ze alle mogelijke stijlregisters beproeft en daarbij de paradox niet uit de weg gaat. Dit komt het best tot uiting in de tweede reeks, ‘Wederkerigheid’, waarin de liefde in 36 gedichten in haar veelsoortigheid bezongen wordt. De belofte van liefde, de eerste keer, het zoenen in het openbaar, de rust en onrust van het nest, het onvervuld verlangen, en dat er weer een einde aan de liefde... Nu eens uitbundig, kwetterend, soms lyrisch, dan weer gepijnigd – alle tinten komen aan bod. Heel zintuiglijk vaak, zoals in ‘Ik heb je gedichten gestreeld’, dat eindigt met ‘en ik herlas met allebei mijn handen’. Of zoals in de verrassende ‘Ode aan de kaalheid’:

Het kale hoofd smeekt:

van boven tot onder en helemaal rondom

wil het worden bedekt.

Niet met haren maar met lippen

niet met hoeden maar met zoenen

niet onder helmen maar door handen

zal het de gure wind niet voelen

en niet onder felle zon verbranden.

Tot in lengte van dagen

wil het worden gedragen

en liever op handen

dan op een hals.

Net als in Peeters’ vorige bundels overheerst in Wasdom de lichte toets. Het taalgebruik en de woordkeus liggen verraderlijk dicht bij de dagelijkse spreektaal, maar het idioom is toch onmiskenbaar dat van Hagar Peeters. Bij Koffers zeelucht (2003) viel al op hoe beheerst haar stijl en poëtische kunstgrepen zijn. De regels en de regelval lijken vanzelfsprekend, maar alles is zorgvuldig op zijn plek gezet. En waar het om rijm gaat toont Peeters haar vaardigheid binnen het volledige scala, van eindrijm tot binnenrijm en, zoals in ‘Ode aan de kaalheid’, van halfrijm tot een subtiele vorm van stafrijm.

Na ‘Wederkerigheid’ volgt de reeks ‘Wederkeer’. Die is raadselachtiger dan de rest van de bundel. In zo’n dertig gedichten beschrijft Hagar Peeters hier niet de werkelijkheid van haar eigen leven en dat van anderen, maar verkent ze de droomwereld en het zekere, maar vage vooruitzicht van de dood. Dat territorium is niet zonder angsten, maar leent zich des te beter voor het soort kwinkslagen waarin Peeters met de tong in de wang een meester is. De toon wordt al in het eerste vers gezet. Daarin verschijnt een ongenode gast, die de ‘ik’ duidelijk maakt dat ze niet in haar eigen huis zit, want dat dat verderop in brand staat. De sfeer van dit gedicht roept reminiscenties op aan de ‘Caprichos’ van Hendrik de Vries, maar de vormgeving steunt bij Peeters niet op die van de Spaanse traditie, maar is eigentijds parlando. In andere verzen, zoals ‘Ontmoeting bij een graf’ lijkt de echo van Piet Paaltjens te klinken. En er klinken wel meer stemmen in ‘Wederkeer’. Hier is niet de kritische kijker in Peeters aan het woord, maar de verteller. Niettemin tellen ook hier de beelden, en de conclusies waartoe die kunnen leiden. ‘Hoe ik ook kijk’, stelt de verteller dan vast, ‘de dingen blijven dingen.’ Daarmee keren dichter en lezer terug tot ‘de gezellige mensenwereld’. In de reeks ‘Onomkeerbaarheid’ is dat vooral de wereld van de oorlog. Voor Hagar Peeters gaf die aanleiding tot het schrijven van indrukwekkende memento’s, zoals het ‘Memento van de Groningse Folkingestraat’. De openstaande synagoge ‘en woningen opgetrokken uit bestendige steen / met hun simpelweg er zijn’, schreef ze, ‘vereeuwigen dat hier leven een herhalen is / van de eindigheid van het leven’.

Opnieuw wentelt dan het register. De slotreeks ‘Baken’ zet in met een vijfdelige reeks over geboorte. Dat Peeters inmiddels zelf moeder is, weet wie het interview met haar in Vrij Nederland van deze week heeft gelezen. Het moederschap staat op gespannen voet met poëzie schrijven, zegt ze daarin. Als om zich vast in te dekken, nam ze aan het slot van Wasdom een paar monkelende gedichten over poëzie op: ‘Zinloos gedicht’, ‘Recensie van de taal’ en ‘Lamento van het gedicht’. En ook ‘De politiek van het alfabet’. ‘Het is maar goed dat er nooit iets gebeurt in gedichten,’ eindigt dat vers: ‘dat zij eeuwig zingen van onvervulbaarheid’. Eeuwig zingen. Bij Hagar Peeters hoop ik daarop.