Limburg wil zichzelf omhoog trekken

Limburg investeert fors in industrie en onderwijs. De provincie gaat ervan uit dat het zich dubbel en dwars zal terugbetalen via beleggingen. Economen zijn daar niet zo zeker van.

Netherlands, Geleen, 27.01.2011 Chemelot, complex voor chemische industrie in westelijke mijnstreek, huisvest onder andere DSM (De Staatsmijnen, Dutch State Mines). Chemelot complex for chemical industry in former western mining district, home to DSM (Dutch State Mines). foto: Chris Keulen

Als een soort baron van Münchhausen die zichzelf uit het moeras trekt, wil de provincie Limburg de lokale economie naar een nieuw niveau tillen. Het gouvernement in Maastricht aarzelt niet om mee te ondernemen.

Dinsdag overhandigde commissaris van de koningin Léon Frissen het masterplan voor de Chemelot-campus in Sittard-Geleen aan minister Maxime Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Kenniseconomie op zijn Limburgs: een verzamelplek voor topbedrijven op het gebied van biotechnische en biochemische materialen.

En dat mag wat kosten. De provincie heeft zelf 110 miljoen euro toegezegd. 30 miljoen is subsidie, de andere 80 miljoen moet rendement op gaan leveren. Limburg stapt daarvoor in een consortium met chemiebedrijf DSM en de Universiteit Maastricht. Als het gaat om het onroerend goed op de campus, neemt de provincie een aandeel van 80 procent. Verhagen prees de ondernemingslust van zijn geboorteprovincie.

„In het verleden klooiden we hier maar wat aan”, zegt gedeputeerde Ger Driessen (CDA), verantwoordelijk voor het nog jonge provinciale grondbedrijf en het investeringsfonds. „Waar subsidieverzoeken binnenkwamen, werd er naar gekeken. Het structurele overzicht ontbrak.”

Met het aantreden van een nieuw college in 2007, gedragen door CDA en PvdA, werd gekozen voor een nieuwe lijn. Driessen: „Niet langer met de plantenspuit subsidies verstuiven over de hele provincie, maar kiezen voor een aantal majeure projecten, die regio’s vooruit helpen. De provincie is niet langer als een soort flappentap, waar je naar believen geld kunt pinnen. Weg van de lulverhalen, maar bij goede ontwikkelingen de bureaucratie zoveel mogelijk vermijden en zorgen voor mensen, mandaat en middelen.”

Hans van Mierlo, hoogleraar overheidsfinanciën aan de Universiteit Maastricht, begrijpt de achtergronden wel. „Limburg zit in een soort spagaat”, analyseert hij. „Aan de ene kant heeft de provincie de luxe van een forse opbrengst van de verkoop van Essent. Aan de andere kant zijn er problemen: de vergrijzing, bevolkingskrimp en een economie die niet zo goed draait. Aan dat laatste kun je proberen wat te doen.”

Van Mierlo vermoedt dat het Limburgse beleid grenst aan staatssteun. „Maar dat is voer voor juristen.” De Chemelot-plannen spreken van aandachtspunten. De gedeputeerde: „We verwachten geen problemen met Brussel. We weten waar we op moeten letten.”

In plannen als die voor de Chemelot-campus valt de term marktfalen. Driessen: „Grote bedrijven aarzelen. Ondernemingen in het mkb hebben vaak de middelen niet voor grote stappen. Als overheid kun je ontwikkelingen versnellen.”

Van Mierlo toont zich sceptisch: „Als de markt niet of onvoldoende meedoet, is dat een veeg teken. En marktfalen is een containerbegrip.” Peter Boorsma, emeritus hoogleraar openbare financiën aan de Universiteit Twente: „Toen ik nog doceerde, kwam de term marktfalen altijd aan de orde in mijn eerste college voor studenten. Dan legde ik uit wat het betekende. Maar ik vertelde ook dat de econoom Charles Wolf heeft geschreven over het niet falen van de markt. Als de overheid activiteiten onderneemt, neemt de efficiëntie meestal af. Politici en ambtenaren zijn geen ondernemer en missen marktkennis.”

Boorsma vermoedt dat Limburg met het huidige beleid ook Essent-gelden uit handen van Den Haag wil houden. „Het Rijk heeft op grond van een dubieus rapport al een greep in de provinciekassen gedaan en kondigt in het regeerakkoord nog zo’n actie aan. Maar beleggingen voorkomen kortingen niet. Het betekent alleen dat het nog belangrijker is dat beleggingen renderen.”

Boorsma vindt dat de provincie met nutsbedrijven prachtige beleggingen had, met een groot maatschappelijk belang, relatief lage risico’s en een hoog rendement. „Als je die aandelen al verkoopt, zoals nu gebeurd is, dan moet je zorgen dat je er soortgelijke beleggingen voor terugkrijgt: aandelen in bedrijven met een triple A-waardering, de Bank Nederlandse Gemeenten of de Waterschapsbank. Staatsobligaties nemen is ook een mogelijkheid.”

Volgens Driessen leveren reguliere beleggingen de provincie slechts 2 à 3 procent rendement op. Bij de participaties waar Limburg de afgelopen jaren is ingestapt, wordt uitgegaan van minstens het dubbele, in het geval van de Chemelot-campus zelfs van 6 tot 7 procent. „En het geld komt ook nog eens ten goede aan de ontwikkeling van Limburg.”

Maar wat als het misgaat, vraagt Van Mierlo zich af. „Dan gaat het wel om belastinggeld. Ga met dat verhaal maar eens naar de kiezer.”

Ook Peter Boorsma vertrouwt de veronderstelde hoge rendementen niet. „Bij World Online van Nina Brink deden er ook de meest fantastische voorspellingen de ronde. Als financiële risico’s vooraf al goed zijn bekeken, dan wordt onvoldoende stilgestaan bij andersoortige risico’s. Hoe groot is bijvoorbeeld de reputatieschade als een gedeputeerde of zelfs een heel provinciebestuur moet aftreden vanwege een fiasco. Het is alweer enige tijd geleden, maar hebben we dan niks geleerd van affaires in het verleden? Dit soort optreden van overheden zou taboe moeten zijn.”