'Levenslied', de discrete charme van een Haarlems mozaïek

Een van de discrete kwaliteiten van de dramaserie Levenslied (NCRV) is de beslissing om de handeling te situeren in Haarlem. Dat is een fotogenieke, maar weinig gefilmde stad, met kwaliteit van leven en een rijk geschakeerde bevolking. Er gebeurt niet veel minder dan elders, maar het tempo ligt wel net een tandje lager dan in Amsterdam.

Pollo de Pimentel, regisseur en creatief coördinator van Levenslied, kon mede daardoor kiezen voor een ongebruikelijke toon voor een televisieserie. Die is tegelijkertijd licht en traag, en dus niet zo nadrukkelijk komisch dan wel tragisch als je normaal zou verwachten.

Scenarioschrijvers Dick van den Heuvel, Jacqueline Epskamp en Stan Lapinski weefden een web van getroebleerde familierelaties rond de hoofdpersonen, leden van een amateurkoor dat vooral popklassiekers zingt.

In dat opzicht heeft de structuur wel iets weg van de Amerikaanse serie Glee, dat de buitenbeentjes in een musicalklas op school ook in de teksten van de nummers becommentarieert. Daarnaast hoort Levenslied tot het genre van de mozaïekfilm.

Het is nog niet helemaal het niveau van Magnolia of Short Cuts. Sommige belevenissen, vooral in de eerste aflevering, pakken wel erg alledaags uit. Andere zijn weer beladen met dramaturgische belofte, zoals de wel erg nadrukkelijke entree van een oudere industrieel (Hans Dagelet), juist op het moment dat koorlid Jeroen (Guy Clemens) zijn stervende moeder de identiteit van zijn onbekende vader probeert te ontfutselen.

Maar in deel twee ging het al stukken beter en kregen de dramatische vignetten een aangenaam soort terloopsheid. De tweede laag zit niet in het scenario, maar in de uitstekende dialogen en het acteren op hoog niveau.

Tot in de kleinste bijrollen zijn bekende en goede spelers te ontdekken, onder wie een forse delegatie van het voormalige Werkteater. Antonie Kamerlings knorrige en depressieve componist, die ruimte nodig heeft, maar niet kan communiceren, krijgt postume meerwaarde door wat we nu over de acteur weten.

De ene na de andere kleine prachtscène viel gisteren te bewonderen. De licht masochistische huissloof Caro Lenssen die bevriende makelaar Nadja Hüpscher om een gunst vraagt. De arrogantie van de laatste wordt gecompenseerd in wilde vrijpartijen met barkeeper Cees Geel. Die krijgt weer bezoek van zijn koppige oude vader (Piet Römer), die geen gunst wil aanvaarden.

De mooiste van al deze kleine hoogstandjes was wel de subtiele oorlog tussen advocaat Tijn Docter en zijn bazige ‘maman’ Petra Laseur.

Als verbindende schakel krijgt koordirigent Anna Drijver wel een zware last op de schouders, maar dat kan ze best aan.

De Pimentel is een regisseur met veel televisie-ervaring en een enkele bioscoopflop (De oesters van Nam Kee) op zijn naam. Dit is zijn beste werk tot nu toe, gewaagder en levensechter dan het tot nu toe wat didactische spektakel van Oscarwinnares Marleen Gorris in Rembrandt en ik (EO).