Let op: hier wonen arme musici!

Het Russische muzikantenpaar Ferschtman woont en werkt sinds 1977 in Nederland. Ze doceren aan conservatoria; hun dochter Liza is een bekend violiste. „Wij zijn trots op het Nederlandse muziekleven. Waarom is Nederland dat zelf niet?”

Bosch en Duin; een miljoenendorp aan de rand van de Utrechtse heuvelrug. Aan weerszijden van een lange, lommerrijke autoweg liggen kapitale villa’s met grote oprijlanen. Behalve bij de poort van de familie Ferschtman. Daar leidt een overwoekerd pad naar een charmant boshuisje. De muziekstudio ligt erachter, ertussen een weiland met sneeuw. ,,Prachtig hè”, zegt pianiste Mila Baslawskaja. „Toen we ons hier vestigden, hebben we bewust gezocht naar een plek die ons deed denken aan onze vroegere datsja buiten Moskou.” Toen, eind jaren zeventig, waren „die kasten van huizen” er ook nog niet, zegt cellist Dmitri Ferschtman. „Aan de overkant van de straatweg woonde alleen Harry Bannink. Wij wandelden wel eens samen door het bos.”

Pianiste Mila Baslawskaja (1946) doorliep een voorbeeldige Moskouse muziekjeugd. Ze studeerde er eerst aan de prestigieuze Centrale Muziekschool en stroomde daarna door naar het Conservatorium van Moskou. Haar man, cellist Dmitri Ferschtman (1945), bezocht naar eigen zeggen eerst een „gewone muziekschool”, maar volgde daarna hetzelfde traject. Op het conservatorium formeerde hij het Glinka Strijkkwartet en reisde daarmee de hele wereld over.

„Als sovjetartiest ben ik vaak in Nederland geweest”, vertelt hij. Toen in 1977 de uitreisvisa voor sovjetmusici werden ingetrokken terwijl emigratie voor Russen van joodse komaf relatief eenvoudig was, vestigden zij zich hier. „In Nederland had je destijds een intens kamermuziekleven. Er waren talloze kamermuziekverenigingen van liefhebbende amateurs die onze concerten bezochten met een zakpartituurtje op schoot. Dat vonden wij zo leuk, dat soort serieus dilettantisme is in Rusland ondenkbaar. Je bent professioneel, of je bent niets. Wat ook meespeelde was dat Rostislav Dubinsky, eerste violist van het Borodin Kwartet, al naar Nederland was geëmigreerd.”

Dubinsky, een generatie ouder dan Ferschtman, was lange tijd de coach van het Glinka Kwartet. Zijn komst naar Nederland was geen incident; Nederland kreeg er in de jaren zeventig een flinke groep Russische topmusici bij, die ook centrale posities innamen in het muziekleven. Onder hen waren onder anderen Victor Lieberman, die concertmeester werd van het Concertgebouworkest, violisten Mark Lubotsky (solist en docent in Amsterdam) en Philip Hirschhorn (solist en docent in Utrecht), de broers Naum (piano) en Ilya (viool) Grubert en violist Boris Belkin – nog steeds hoofdvakdocent aan het conservatorium in Maastricht. „In het begin vormden Russische musici in Nederland een soort gesloten gemeenschap”, beaamt Mila Baslawskaja. ,,Maar na een tijd wortel je meer, en verbreedt ook je kring.”

Sinds hun tienerjaren zijn ze samen; hun tweede dochter, violiste Liza Ferschtman (1979), werd in Nederland geboren. Op de voordeur van het ouderlijk huis, waar Russisch nog steeds de voertaal is, zit een briefje geplakt in cyrillisch schrift. Het is bedoeld voor de Oost-Europese boevenbendes die als een plaag door de buurt trekken, lacht Baslawskaja. „Wat moeten ze hier, met onze oude spulletjes? Dus heb ik dat papier voor ze opgehangen: ‘Hier wonen arme musici!’”

Zowel Baslawskaja als Dmitri Ferschtman hebben hun uitvoerende muziekpraktijk steeds gecombineerd met lesbanen aan verscheidene conservatoria. Zij geeft les in Amsterdam en gaf les in Rotterdam, als hoofdvakdocent piano en kamermuziek. Hij is hoofdvakdocent cello aan het Conservatorium van Amsterdam en het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

Baslawskaja wil er maar liever eerlijk over zijn; het niveau van het Nederlandse muziekvakonderwijs was, zeker in het begin, een fikse teleurstelling. „In Rusland kreeg jong muziektalent vanaf het zevende jaar een doelgerichte professionele opleiding”, zegt ze. „Die opleiding was zwaar; als je motivatie niet sterk was, haakte je af. Maar er heerste geen Chinese tucht. Muziek maken en studeren liepen door elkaar heen, het was bezield onderwijs. Docenten wisten een atmosfeer te scheppen waarin je wilde leren. Bovendien werd je omringd door andere kinderen die dat óók wilden. Die sociale druk werkt erg motiverend.”

Een Russisch musicus was, met dank aan dat grondig onderwijssysteem, op zijn achttiende technisch vrijwel volleerd. Lessen konden daarna gaan over muziek, cultuur, interpretatie. In Nederland begonnen musici van achttien jaar pas met hun opleiding. „Op hun eindexamen piano speelden Nederlandse conservatoriumstudenten Czerny-études van blad”, zegt Baslawskaja. Later kwamen ook hier aan de conservatoria voorbereidende klassen voor jong talent. „Daar plukken wij nu de vruchten van.”

„Ik gaf twee jaar geleden weer eens les in Moskou. Het niveau van de conservatoriumstudenten is er nu ongeveer gelijk aan dat in Nederland’, zegt Dmitri Ferschtman. „Maar het kan altijd nog beter. Daar blijven we ons voor inzetten.”

Baslwaskaja: „De wekelijkse les van een Master-student is de afgelopen jaren verkort tot vijftig minuten. Dat is absurd. Natuurlijk gaan wij docenten dan toch langer door, in eigen tijd.” Ze legt uit dat er, haars inziens, een kink zit in de hele muzikale kringloop. Nederland zou toekunnen met minder conservatoria, terwijl studenten gebaat zouden zijn bij meer lestijd, meer realisme en beter en breder muziekonderwijs op jonge leeftijd. „Het is geweldig dat onze studenten solistische ambities hebben. Maar eerlijk is eerlijk. Lesgeven wordt later toch, voor 90 procent, hun broodwinning. Daarom is voor ons de vraag wat wij aan hen kunnen geven, wat zij zelf ook weer kunnen doorgeven, heel belangrijk. Het gaat over onze manier van lesgeven, met muziek omgaan, van muziek houden.”

Veel van hun ideeën over de betekenis van muziek geven de Ferschtmans prijs op hun cd The Cello’s Russian Voice. Het schutblad citeert de jonge Rachmaninoff: „Poëzie is de zuster van muziek en droefheid is haar moeder.”

„Muziek en poëzie waren het eten en drinken van onze culturele opvoeding in de Sovjet-Unie”, schrijven ze in het boekje. „Samen met de overweldigende Russische natuur vormden zij in onze atheïstische sovjettijden een soort religie.” De cd bevat Russische romances, bewerkt voor cello. „Jaren na onze emigratie (…) werden we opnieuw verliefd op deze muziek, waarin de Russische ziel het sterkst tot uitdrukking komt.”

Heimwee is het niet. Ferschtman; „Gisteren beluisterden we toevallig de uitslag van een enquête. Een meerderheid van de uit Turkije afkomstige Nederlanders wil ooit terug. Wij niet. Zoals Joseph Brodsky zei: „Ik draag Rusland in mijn hart.”

Als ze iets missen, komt dat gevoel voort uit nostalgie. Over de kindertijd, over de overweldigende Russische natuur. Baslawskaja: „Het huidige Rusland vervult ons met een grote afkeer, hoewel er nog steeds het mooie idee heerst dat het niveau van een land mede wordt bepaald door de rijkdom van het culturele leven.”

Dmitri Ferschtman was lange tijd solocellist van het Radio Filharmonisch Orkest, dat als onderdeel van het Muziekcentrum van de Omroep (MCO) in zijn voortbestaan wordt bedreigd door de voorgenomen bezuinigingen. Zijn zorgen over het Nederlands kunstleven gaan dieper, zegt hij. De 200 miljoen die, nog los van het MCO, worden gekort op de kunsten verbijsteren hem, de toon van het debat stoort hem. „De ‘Jip en Janneke’-taal, alles verplatten en simplificeren – ik vind het afschuwelijk. Wij zijn Nederland dankbaar en we hebben ons best gedaan iets terug te doen, als musici en als docenten. Op het Nederlands muziekleven, een van de bloeiendste ter wereld, zijn we trots. Maar waarom is Nederland dat zelf niet? In het publieke debat erover gaat het voortdurend over geld. Ik mis de essentie. Waarom is cultuur van levensbelang voor ons allemaal? Omdat de ontwikkeling en rol van een individu in de maatschappij sterk afhankelijk is van het niveau van zijn culturele vorming.”

Baslawskaja serveert pasteitjes, gevuld met zelfgemaakte marmelade. „Helaas bestaan er echt mensen die leven op water en brood, en die kunst niet missen”, pareert ze.

Ferschtman zucht. „Het overdragen van het vuur voor cultuur is ontzettend lastig. Maar goed muziek maken is meer dan studeren – soms is een uur museumbezoek vele malen zinvoller dan een uur toonladders.”

Baslawskaja: „Overigens zijn wij in het uitdragen van ons eigen fanatisme wel iets milder geworden, hoor. Onze dochter Liza hebben we ook nooit zo erg gepusht. Ze werd pas na haar twaalfde een beetje serieus. Onze kleinzoon speelt piano. Nu wil hij opeens gitaar. We zeggen er maar niks van. Maar in Rusland had dat natuurlijk niet gemogen.”

Ze dachten eerst dat het aan de calvinistische cultuur lag dat ze hier zo weinig muzikaal fanatisme troffen, vertelt ze. Dat bleek later onzin. „We troffen hier bijzonder fanatieke en creatieve mensen, zoals Anner Bijlsma, Frans Brüggen en Reinbert de Leeuw. Maar nog steeds zeg ik wel tegen elke nieuwe leerling: vergeet onmiddellijk de ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’-mentaliteit. Die werkt niet in de muziek.”

Ferschtman: „Zoals Poesjkin al zei: met algebra maak je geen muziek. Muziek is een van de grootste wonderen.”

Baslawskaja: „Met muziek kan ik en wil ik mensen raken in hun mens-zijn. Maar misschien is dat een communistisch trekje?”

Ferschtman: „Nee, dat is onze verplichting als musici. En daar streven we dus ook naar.”