'Ik wilde nooit de held spelen'

Ze ontsnapten als verzetsstrijders aan de dood. Johan van Hulst wordt vandaag 100, de 93-jarige Fransman Stéphane Hessel heeft in eigen land succes met een pamflet waarin hij de jeugd oproept tot actie. Een interview en een portret in de week dat de Holocaust wordt herdacht.

‘Hebt u een paar weken?” Professor dr. Johan van Hulst kijkt het bezoek geamuseerd aan. Dat informeerde zojuist naar eventuele kwalen.

Honderd jaar wordt oud-senator, emeritus hoogleraar wijsgerige en historische pedagogiek en verzetsman Van Hulst vandaag. Zijn oudste kind – hij benadrukt het laatste woord – is 73. Ondanks zijn hoge leeftijd woont Van Hulst op zichzelf in zijn flat in Amsterdam, waar hij de thee op het blad van zijn rollator de zitkamer in rijdt. Zijn dagen vult hij met afhandelen van correspondentie met vooral oud-studenten, hij leest in de Bijbel, hij mediteert en hij neemt de kranten door, Trouw en „uw krant, waarbij de rubriek van Hans Ree, de belangrijkste schaakjournalist van Nederland, mijn eerste interesse heeft”.

Quasi-plechtig: „Ik ben in ernstige mate lijdend aan schaakvergiftiging.” Zoals hij elke zondag de dienst van half elf in de Thomaskerk bijwoont, gaat hij elke week naar de Amsterdamse schaakclub Caïssa; Van Hulst is erelid.

Voor de „32ste keer in successie”, zoals Van Hulst zelf voorrekent, nam hij deze maand deel aan het Tata Steel Schaaktoernooi – voorheen het Hoogovens- en Corus Schaaktoernooi . Op 95-jarige leeftijd won hij het toernooi in de categorie oud-parlementariërs. In 2010, vlak voor z’n 98ste verjaardag, won hij het toernooi opnieuw, ex aequo met Jan Nagel. Hij heeft zowel tegen Max Euwe als Anatoli Karpov remise gespeeld.

„Ik hoor bij de inventaris. Op 30 januari, als het toernooi eindigt, wordt mijn verjaardag uitbundig gevierd. De laatste jaren sluit ik het toernooi af met een speech in het Engels voor de hele misjpoge. ”

Hoewel Van Hulst ‘in de allerlaatste fase’ verkeert en zich voorbereidt ‘op het afscheid’, volgt hij het nieuws ‘op de voet’. Een enkele vraag is voldoende om hem te doen losbarsten over ‘het monstrum’ waarvan Mark Rutte premier is geworden. „Dit kabinet is er gekomen omdat men de koningin gepasseerd heeft. Haar opdracht luidde: een stabiel kabinet dat kan rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal. Ik mag dan oud zijn, maar ik kan nog wel tellen: er is geen meerderheid in de Staten-Generaal. De hele constructie is een staatsrechtelijk monstrum.”

Los van het staatsrecht is Van Hulst „fel” tegen samenwerking met de PVV. „ Hun haat tegen de islam en allochtonen is verwerpelijk.” Maar: „Ik ben ook een nuchter mens en constateer dat strijd tegen de islam geen onderdeel is van het regeerakkoord. ”

Van Hulst deed als fractievoorzitter van het CDA in de Eerste Kamer zaken met koningin Juliana.

„Anders dan haar dochter Beatrix hield ze zich strikt aan het consigne er geen mening op na te houden. Ze zei alleen maar: ‘Ach professor, ziet u dat zo?’ Haar hondje kon niet blaffen, maar wel bijten en dat deed het in mijn hand. Ik dacht: die moet opgevoed worden.”

De Tweede Wereldoorlog wil hij zich niet herinneren. Hij dook vlak voor het einde van de oorlog onder, nadat hij, op 14 april 1945, door de bezetter bij verstek ter dood was veroordeeld. Later had hij het te druk om er bij stil te staan, maar na zijn afscheid van de universiteit en de politiek, begonnen de nachtmerries. „Angst. Angst om opgepakt te worden. Was ik ongehuwd geweest, dan was ik minder bang geweest. Maar ik had kinderen. Dat heeft ongehoord zwaar gewogen.”

Van Hulst kreeg de doodstraf voor het redden van Joodse kinderen. Volgens oorlogshistoricus Lou de Jong redde hij er duizend, hijzelf houdt het op „zeker vijfhonderd”. „Niet in mijn eentje, hoor!” Hij kreeg er in 1973 de Israëlische Yad Vashem-onderscheiding voor.

In de oorlog was Van Hulst directeur van de Hervormde Kweekschool aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam, tegenover de Hollandsche Schouwburg, waar vandaan de Duitsers Joden deporteerden. Naast de school was een crèche waarin baby’s en peuters werden ondergebracht in afwachting van deportatie.

„Bent u thuis in de Bijbel? Koningin Esther die de Joden redt, omdat ze er de positie voor had? Prachtige novelle. Ik dacht: ik ben directeur van deze school. Deze school grenst aan de crèche, de tuinen lopen naadloos in elkaar over. Ik dacht: misschien ben ik wel op deze plaats gezet om iets te doen.”

Mei, juni 1943 werden de eerste baby’s over de heg aangereikt. „Het begon met het verzoek van directrice Henriëtte Pimentel wat kinderen in de tuin te slapen te mogen leggen. Al snel zetten we bedjes in een lokaal.” Het was ‘absurdistisch’. „Het is onbegrijpelijk dat de SS nooit iets gemerkt heeft. Wat we deden was waarschijnlijk te brutaal om waar te zijn.”

Baby’s huilden. Rijksgecommitteerden die examens kwamen afnemen, hoorden dat en gingen een kijkje nemen. „De heer Veringa kwam lijkbleek terug en zei: man, wees in godsnaam voorzichtig! Gecommitteerde Gesina van der Molen, die later hoogleraar Volkenrecht werd, zei: ‘Meneer de directeur, nu zie ik waarom God mij hier geleid heeft’.”

Najaar 1943 waren er nog tachtig, negentig kinderen in de crèche. Op bevel van Aus der Fünten, hoofd van de Sicherheitsdienst, moesten ze van de ene dag op de andere op transport gezet worden. „Hoeveel konden we er redden zonder dat het opviel? En ook: welke kinderen? Er kwamen uiteindelijk twaalf kinderen op mijn kamer. Tegen de oudsten van rond tien jaar zei ik: zoek je eigen weg. Hartverscheurend.

„De volgende dag stond er een zichtbaar Joodse vrouw voor de deur: of ik de bovenmeester van de Kweekschool was. Wat wilt u van de bovenmeester van de Kweekschool, vroeg ik. Even bedanken, zei ze. Ik heb haar gezegd dat ze mijn leven op het spel zette met die leugens. Scheer u weg, zei ik. Ze gaf me een hand en zei: toch bedankt!”

Na 1945 ging voor Van Hulst ‘het boek dicht’. Hij wilde niet ‘de held spelen’, werd nooit lid van een verzetsclub. „Ik had de illegaliteit niet nodig voor mijn carrière. Anderen wel, dat neem ik ze niet kwalijk. Later zijn door mij geredde kinderen me wel komen bedanken, maar dan zei ik altijd: leuk dat je geweest bent, maar bij deze ene ontmoeting blijft het. Er was ook een vrouw in deze flat, nogal kopschuw. Op een goeie dag zegt ze: ‘U hebt mijn leven gered’. Ik heb geantwoord: ‘Mevrouw, u hebt dit nu gezegd, we praten er nooit meer over!’”

Aan het eind van het gesprek herinnert Van Hulst zich nog een moeder in de Hollandsche Schouwburg. Die vroegen ze om toestemming om haar kinderen mee te nemen. Geen sprake van, zei ze: „Ze hebben een sterke moeder nodig.” Van Hulst zucht: „Ze zijn allemaal omgebracht. Ik las al in 1933 Mein Kampf. In het hoofdstuk ‘Ik word antisemiet’ staat dat hij ‘de ratten van de samenleving’ allemaal zal verdelgen. Ik wist het. Maar de mensen waren verblind.”