Het was het andere huis

Na de indrukwekkende verfilming is er nu een toneelversie van Mulisch’ roman De Aanslag. „Op toneel ben je vrij van dat dwingende realisme.”

De fiets van Fake Ploeg ligt op het toneel en zal daar de gehele voorstelling blijven liggen. Soms draait het voorwiel even. Harry Mulisch dicteerde het zo in zijn roman De Aanslag (1982). Nadat zijn ouders, broer en hij die beroemde zes schoten hebben gehoord, ziet de 12-jarige Anton Steenwijk ‘midden op de verlaten straat, voor het huis van meneer Korteweg’ een fiets liggen, ‘waarvan het omhoogstekende voorwiel nog draaide, – een dramatisch effect dat later close in elke verzetsfilm zou verschijnen.’

Het beeld van de fiets is een cruciaal moment in de verfilming van Fons Rademakers. Dat ene beeld was veelzeggend genoeg voor de filmposter – het is opgeslagen in ons collectieve visuele geheugen. En nu herinnert het op het toneel bij de voorstelling De Aanslag van Bos Theaterproducties aan het rijke verleden van dit verhaal.

De fiets herinnert hier bovendien blijvend aan de aanslag op Fake Ploeg, die we niet te zien krijgen – toen niet, en nu niet. En hij herinnert aan het feit dat Anton Steenwijk die gebeurtenis en de gruwelijke gevolgen weliswaar een half leven lang probeert te verdringen, maar dat dit hem niet lukt. Victor Löw, die in het stuk Steenwijk speelt, zegt het zo: „Het is in de aard een volstrekt geweldloze man, hij kwam onbeschadigd op de aarde en komt dan terecht in de totale gewelddadigheid. Daarna blijft hij leven in dat geweld, met een voortdurend verlangen naar vrede binnenin hem. Mulisch schrijft dat ook: ‘In mijn dromen is het altijd vrede’.”

In De Aanslag wordt politieman en NSB’er Fake Ploeg, gemodelleerd naar Fake Krist, in de oorlogswinter van 1945 door het verzet geliquideerd in de straat waar Anton en zijn familie wonen. ‘Omdat het daar het stilst was en omdat we van daar het best weg konden komen’, zoals Cor Takes, medepleger van de aanslag, Anton later vertelt. Zo simpel was het. ‘We wisten, dat vermoedelijk minstens een van die huizen er aan zou gaan’, zegt Takes. ‘We wisten alleen niet welk huis.’ Ook konden ze ervan uitgaan dat er gijzelaars zouden worden gefusilleerd, als represaille. Hadden ze het daarom niet moeten doen, vraagt Takes hem retorisch. Ploeg was een schoft, een overtuigd fascist en een sadist pur sang. Die moest dood, of het nu voor het ene huis was, of het andere.

Alleen: het was het andere.

Ploeg sterft voor het huis van meneer Korteweg, een weduwnaar, en zijn 25-jarige dochter Karin, waar Anton soms stiekem naar gluurt. Antons oudere broer Peter ziet dat meneer Korteweg en zijn dochter het lijk onmiddellijk verslepen, naar vlak voor hun deur. De verwikkelingen die daarop volgen kosten uiteindelijk Antons broer en ouders het leven.

Léon van der Sanden, die eerder Gerard Reves De Avonden bewerkte en regisseerde, maakte voor Bos Theaterproducties een bewerking van Mulisch’ roman voor toneel. De regie is in handen van Ursul de Geer. Löw speelt Steenwijk, de cast bestaat verder uit Peter Bolhuis, Marjolein Ley, Nelleke Zitman en Ayal Oost. Zij spelen allen dubbelrollen. Wie de roman kent en de film heeft gezien, kan zich levendig voorstellen dat De Aanslag op toneel brengen geen sinecure is. Het verhaal speelt zich af in vier verschillende tijden, tegen het decor van grote gebeurtenissen, zoals protesten tegen het communisme en demonstraties tegen kernbewapening. In de film wordt dit met historisch filmmateriaal nog onderstreept. De hoofdpersoon is aan het begin 12 jaar oud, aan het slot 48.

Het is een ambitieuze roman, bestaande uit drie lagen: de psychologische methoden van de hoofdpersoon om om te gaan met zijn trauma, zonder dat hij zich daarvan bewust is, de reconstructie van het gebeurde, de puzzel, en tot slot de filosofische laag die de vraag stelt: wat is vrije wil? Mag je het lot een handje helpen? Daarbij: de dramatische handeling speelt zich af in het verleden. Maar nee, zegt Van der Sanden: „Het drama is de worsteling van de hoofdpersoon met die gebeurtenis in zijn verleden.”

Het mooie aan romans bewerken voor toneel, zegt Van der Sanden, is dat je het verloop van het verhaal „aan iemands hoofd kan koppelen. „Ik ben uitgegaan van Anton, zoals hij is aan het einde van de roman en zich het geheel herinnert, als in één lange flashback. Hij ziet alle stappen die hij heeft gemaakt voor zich, vanaf toen hij een jongetje was, en reconstrueert vandaaruit wat er is gebeurd.

„De Aanslag gaat over iemand die in zijn verleden iets vreselijks heeft meegemaakt, daarna denkt ‘het verleden is het verleden, daar hoef je nooit meer aan te denken’, maar in de loop van zijn leven toch steeds wordt overvallen door kraterinslagen en explosies, waardoor hij langzamerhand naar dat verleden wordt teruggezogen. Tot aan het einde alle puzzelstukjes op hun plek vallen en hij is bevrijd. Die psychologische Werdegang is op het toneel ontzettend mooi, juist om vanuit zijn hoofd te starten, en vanuit daar de situatie hem te laten overvallen.”

Dus dat ziet er zo uit, op toneel: Löw zit op een stoel, naar het publiek gericht, en vertelt over dat gewelddadige begin van zijn levensgeschiedenis. In zijn herinnering roept hij die avond op, oorlogswinter 1945 – en prompt zien we zijn vader, moeder en Peter aan tafel, ze maken zich klaar om een spelletje te gaan doen. ‘Tonny’, roept zijn moeder. Of hij ook meedoet. Dan stapt de volwassen Steenwijk het tafereel binnen, de scène in, en beleeft alles opnieuw, als was hij weer twaalf.

Op dezelfde manier herbeleeft hij andere sleutelmomenten; de ontmoeting met Truus Coster, die de aanslag pleegde, in het stikdonker van de politiecel, de tocht met de vriendelijke Duitser Schulz van Haarlem naar Amsterdam, waarbij hun konvooi wordt beschoten, het bezoek aan zijn vroegere buren. Hoe hij de zoon van Fake Ploeg voor zijn huis in Amsterdam tegenkomt, de eerste ontmoeting met zijn vrouw Saskia, het bezoek aan Cor Takes, zijn zenuwinzinking in Toscane. En tot slot de grote demonstratie in Amsterdam, de ontmoeting met Karin Korteweg, en de uiteindelijke loutering.

„Het tragische van Anton Steenwijk is natuurlijk dat hij niets wil”, zegt regisseur Ursul de Geer. „Hij wordt niet voor niets anesthesist – hij verdooft alles. Steenwijk zoekt de verwerking zelf niet op, hij zoekt de oplossing van de puzzel niet. Hij wordt er gedurende zijn leven op cruciale momenten mee geconfronteerd. Het lot of toeval speelt een extreem belangrijke rol. Maar zelfs al stuit hij per toeval op informatie, dan nog gaat hij het liever uit de weg. Zelfs bij Takes is hij eerst afwerend. Hoezo?, vraagt die, je hebt er toch zelf om gevraagd? Ik laat in ons stuk steeds de mensen van buiten hem erbij halen – hij wordt keer op keer geroepen om in de scène te komen, en dan moet-ie wel. Maar de noodzaak komt altijd van buiten hem.”

In de veelgeprezen verfilming speelt Derek de Lint Anton Steenwijk volkomen flegmatiek – enkel close-ups en filmtranen kunnen af en toe enige emotie suggereren. Dat is de aard van de acteur, maar ook een inhoudelijke keuze: uit de Steenwijk in de film spreekt een weerzin ook maar iets te voelen, zijn houding verandert niet wanneer er weer eens een onaangename herinnering op zijn pad komt. Victor Löw speelt hem anders; broeieriger dan De Lint. Gretiger ook; duikt er in zijn hoofd een spook uit het verleden op, dan klauwt hij daarnaar.

Löw: „Als hij eenmaal in zo’n situatie zit, dan wil hij het weten ook. Maar hij zoekt de confrontatie slechts twee keer zelf op. Ik speel hem wel met een bovenmatige nieuwsgierigheid naar het onderwerp; hij onderdrukt weliswaar zijn emoties, maar het publiek mag niet denken dat hij niets voelt. Daarom laat ik hem op schaarse, goed gekozen momenten uitbarsten.”

Ursul de Geer: „Bij Derek de Lint wilde je het vuurtje af en toe best een beetje opstoken. Maar bij Victor gebeurt innerlijk al zoveel meer – daar moet je juist stevig de deksel ophouden.”

De Geer en Van der Sanden ervaren het niet als druk dat er van het verhaal eerder zo’n indrukwekkende film is gemaakt. Van der Sanden: „De film baseerde zich op het boek, ik ook. Het zijn twee verschillende bewerkingen van de roman. Met de film heeft ons stuk niets te maken.” De Geer: „Ik durf de stelling aan dat wie het stuk ziet, de film meteen vergeten is.”

Van der Sanden ziet bij een toneelbewerking zelfs voordelen ten opzichte van film. „Op toneel ben je vrij van dat dwingende realisme. De historische beelden, die zo aanwezig zijn in de film, zie je bij ons niet terug. Wij kunnen de vertelling abstracter maken, de structuur die ik koos is dramatischer.” Tegelijkertijd, vult De Geer aan, kan je op toneel de letterlijke tekst preciezer volgen. „De lappen tekst die Löw hier uitspreekt, dat zou in de film niet kunnen.” Is het risico niet dat het te veel verteltheater wordt? Van der Sanden: „Daar is het verhaal veel te zinderend voor.”

Mulisch’ taal is zeer geschikt voor toneel, zegt hij. „Aan de dialogen heb ik nauwelijks iets hoeven veranderen. Ik vind ook: als je met een goed schrijver van doen hebt, moet je daar dichtbij blijven.” Natuurlijk is het bij Mulisch wel scherp kiezen uit dat bonte arsenaal. „Heel veel beelden, metaforen, verwijzingen laat je weg. Maar een paar hebben we er behouden. In het begin beschrijft Mulisch hoe Anton als jongetje langs een kanaal loopt, er komt een schip voorbij en daarna kijkt hij naar de wirwar van golfjes, die als een V tegen de oever klotsen en weer terug, tot een onontwarbaar net van bewegingen ontstaat. Dat is een metafoor voor wat er gebeurd is. Dat beeld heb ik eruit gelicht, omdat daar het hele verhaal over gaat. In de roman is het wat te ingewikkeld en breedsprakig, maar de essentie is krachtig.”

Op een paar plekken greep Van der Sanden in in de narratieve structuur. Zo trouwt Anton in het stuk slechts één keer („anders wordt het te anekdotisch, en hadden we een extra actrice nodig”), en krijgt hij maar één kind: Peter. De dubbelrollen zijn noodzaak, maar ook inhoudelijk gerechtvaardigd: Ayal Oost speelt broer Peter, en later zoon Peter. Marjolein Ley is Truus Coster én Saskia, die op elkaar lijken. En Bolhuis speelt steeds de vaderfiguur: Antons vader, Schulz, en Takes, over wie Mulisch schrijft dat Anton zich „nooit eerder zo verbonden had gevoeld met een andere man”.

Vindt hij deze grote Nederlandse literaire reflectie op de Tweede Wereldoorlog nog altijd actueel en relevant? „Ongelofelijk relevant. De wind uit het verleden blaast ons naar voren, daarom is het altijd essentieel je in dat verleden te verdiepen. En ook de filosofische bespiegeling over schuld is actueel. Niemand is alleen maar schuldig, of alleen maar onschuldig. Korteweg doet iets waardoor mensen sterven, maar met zijn keuze redt hij tegelijk weer anderen. Dat thema is van een ongehoorde actualiteit. Een zelfmoordterrorist heeft ook zijn eigen motieven, zijn eigen waarheid. Je verdiepen in de waarheid van een ander, dat brengt je verder.”

Harry Mulisch heeft Van der Sandens bewerking nog net kunnen lezen, vertelt hij. „Ik hoorde via via dat hij er zeer content mee was. Dat is fijn. Maar het is natuurlijk jammer dat ik het er niet meer met hem over kan hebben.”

Regisseur De Geer: „En toch, ik voel dat zijn zegen erop rust. Hij kijkt zeker mee.”

De Aanslag. Tournee t/m 7 mei. Informatie en speellijst: bostheaterproducties.nl