Geen gezag zonder lawaaidiplomatie

De meest geruisloze verkiezingscampagnes vinden plaats bij de Verenigde Naties. Dit jaar is het weer zover. Komt er een nieuwe secretaris-generaal of krijgt de huidige VN-chef, die we na vier jaar nog maar amper kennen, een tweede termijn?

In de Braziliaanse pers dook daarover vorig voorjaar al een berichtje op, dat meteen werd opgepikt aan de East River in New York, waar het VN-hoofdkwartier staat. De toenmalige president van Brazilië, Luiz Inácio ‘Lula’ da Silva, zou overwegen zich kandidaat te stellen voor de opvolging van Ban Ki-moon.

Van diverse kanten zou Lula zijn benaderd om een gooi te doen naar de hoge, internationale post. Hij werd een serieuze kanshebber genoemd, omdat het politieke en economische gewicht van Brazilië in de wereld de afgelopen jaren zo is toegenomen. Bovendien kon, en kan, Lula bogen op een zeker internationaal prestige. Hij zou de VN weer een gezicht kunnen geven.

Van het bericht werd niet veel meer vernomen, tot eind december. Op een top van Zuid-Amerikaanse leiders riep de president van Bolivia, Evo Morales, zijn collega-presidenten op om campagne te voeren voor de benoeming van Lula. Zijn vermogen om „mensen bij elkaar te brengen” maakt hem tot de ideale man voor de baan, vond Morales.

Lula wist wel beter. Hij bewees zijn politieke inzicht door op een persconferentie te verklaren dat hij geen belangstelling had voor de positie, die in elk geval tot eind dit jaar nog wordt bekleed door de Zuid-Koreaanse carrièrediplomaat Ban. De VN moet worden geleid door een competente technocraat, zei Lula, „niet door een belangrijke politicus.” Hij voegde daar nog aan toe: „Ik zou me zorgen maken als het een trend wordt om presidenten te benoemen tot hoofd van de VN. Dan zouden de Verenigde Staten vast proberen om ook de Verenigde Naties nog in hun greep te krijgen.”

Die laatste opmerking viel wellicht goed bij zijn Latijns-Amerikaanse gehoor, maar was verder onzinnig. De vijf permanente leden van de Veiligheidsraad hebben allemaal een veto over de benoeming van secretaris-generaal. Rusland en China zullen nooit toestaan dat een Amerikaan die positie krijgt, net zoals Washington altijd zal voorkomen dat een Rus of een Chinees VN-chef wordt.

Dat de VN moeten worden geleid door een technocraat, niet door een politicus – daar had Lula wel gelijk in. Juist omdat het iemand moet zijn met wie alle vijf de permanente leden kunnen leven, zal een uitgesproken, politieke figuur als Lula nooit een kans maken. Daarom zit de wereld opgezadeld met de kleurloze Ban Ki-moon, die zich in de loop van dit jaar naar verwachting kandidaat stelt voor een tweede termijn. Hoe jammer velen dat ook vinden – de kans dat een kansrijke tegenkandidaat met charisma opstaat, is miniem.

Deze week lanceerde Human Rights Watch een harde aanval op Ban. In haar jaarboek verwijt de mensenrechtenorganisatie hem dat hij veel te weinig zijn stem verheft tegen schendingen van de mensenrechten. Vooral als daarbij machtige landen betrokken zijn, deinst hij terug voor openlijke kritiek – al helemaal als het landen betreft die een permanente zetel hebben in de Veiligheidsraad en dus beslissen over zijn herbenoeming.

Een secretaris-generaal heeft twee instrumenten waarmee hij zich kan inzetten voor de mensenrechten, zegt Human Rights Watch – stille diplomatie en in het openbaar druk uitoefenen door regeringen aan de schandpaal te nagelen. Dat laatste verzuimt Ban vaak. Daardoor kiest hij ervoor om „te strijden met één hand op zijn rug gebonden”.

Kan het anders? Kan de topdiplomaat van de VN op zijn tijd lawaaidiplomatie bedrijven, een grote lidstaat bruuskeren, een grootmacht in het openbaar de les lezen? Of verspeelt hij dan de politieke steun die hij niet alleen nodig heeft om te worden herkozen, maar ook om van dag tot dag te kunnen functioneren in de VN-organisatie?

Bans voorganger Kofi Annan stak wel af en toe zijn nek uit, zegt directeur Kenneth Roth van Human Rights Watch. Ook Annan was ooit juist gekozen omdat hij een grijze technocraat was – hij had zijn hele carrière doorgebracht in de VN-bureaucratie. Toch waagde hij het om de Amerikaanse inval van Irak onrechtmatig te noemen.

Annan had in de loop der jaren iets opgebouwd wat Ban ontbeert – persoonlijk, moreel gezag in een groot deel van de wereld. Daarop kon hij terugvallen toen zijn relatie met de regering-Bush verzuurde.

Wat zou er zijn gebeurd als Ban in november, bij zijn bezoek aan China, openlijk had opgeroepen tot vrijlating van Nobelprijswinnaar Liu Xiaobo? Of als hij zelfs maar in algemene termen de mensenrechten aan de orde had gesteld? Misschien had hij zijn kansen op herverkiezing verspeeld, al is dat niet zeker. In elk geval had hij daarmee zijn persoonlijke gezag vergroot. Ook een technocraat kan af en toe zijn mond open doen. En soms moet het.

Kofi Annan zat al in zijn tweede termijn toen hij de Irak-oorlog hekelde. Misschien zal ook Ban zich alsnog vrij voelen om misstanden vaker aan de kaak te stellen als hij eenmaal zeker is van een tweede termijn. Hij zou daarmee niet alleen zijn eigen aanzien verbeteren, maar ook dat van de VN.