Een fles wodka is de prijs voor een vrouw

Arnon Grunberg onderzoekt of Transnistrië het centrum van wapen- en vrouwenhandel is. „Je kunt beter de manager zijn van de prostituees, dan de prostituee zelf.”

Dubossary, la discothque. Mai 2003. Night club in Dubossary. May 2003. Julien Goldstein

Wat vooraf ging: Samen met een Nederlandse ‘embedded’ militair reisde Arnon Grunberg af naar Transnistrië, communistisch openluchtmuseum en volgens sommigen een centrum van vrouwen- en wapenhandel. „Ga niet naar Transnistrië, je komt niet levend terug”, waarschuwde iemand hen. En: „Je komt er niet binnen, aan journalisten hebben ze een hekel.”

Wie als vreemdeling langer dan 24 uur in Transnistrië verblijft, dient zich te registreren in een kantoortje in de hoofdstad Tiraspol. Lena, een vrouw die op het internet haar diensten aanbiedt voor reizigers naar Transnistrië, zal ons helpen bij de registratie. Op de eerste ochtend van ons verblijf gaan wij naar haar appartement.

Ik ben hier samen met Niels Roelen, een Nederlandse militair die ik in Afghanistan heb leren kennen. Hij wilde weten wat ik zoal deed op reis, zoals ik ooit wilde weten wat het leger doet als het reist. Niels en ik noemen ons hier Olav en Yasha, onze tweede voornamen. Wie ons googelt, zal er daardoor hopelijk niet achterkomen dat wij militair en schrijver zijn. Transnistrië houdt niet van pottenkijkers. We doen ons voor als investeerders: we willen een hotel beginnen in Transnistrië.

Bij de deur van Lena’s appartement moeten we onze schoenen uitdoen. In de gang hangt een waslijn. Het leven lijkt zich hier in de keuken af te spelen, waar het behaaglijk warm is. Op de keukentafel staat een reiswieg met een baby erin, Lena’s zoon, Ilyusha. Aan de tafel zit een man in een trainingspak, Lena’s schoonvader. „Hij is ziek”, zegt ze. Lena zegt dat ze geen tijd heeft om ons te helpen met de registratie, maar dat een vriendin dat zal doen.

„Hoe zit het eigenlijk met Sheriff?” vraag ik.

Sheriff is de naam van het bedrijf dat half Transnistrië in handen lijkt te hebben. Sheriff heeft benzinestations, supermarkten, een reclamebureau, twee broodfabrieken, een uitgeverij, een voetbalclub, een mobiel netwerk, een distilleerderij, een televisiestation en een bouwbedrijf. We hebben gehoord dat ze al jaren bezig zijn met het bouwen van een vijfsterrenhotel maar dat het maar niet afkomt. Olav en ik zoeken samenwerking met Sheriff. Sheriff is in handen van Victor Gusan and Ilie Cazmali, twee voormalige medewerkers van het ministerie van Justitie, de militaire politie en naar sommigen beweren oud-geheimagenten, bovendien vertrouwelingen van Igor Smirnov, de president van Transnistrië.

„O Sheriff”, zegt Lena. „Sheriff is Superman.” Ze schenkt thee in. „Jullie moeten even langs het postkantoor”, zegt ze. „Daar kun je Transnistrische postzegels kopen. Is leuk als souvenir. Maar ze zijn alleen geldig in Transnistrië.”

De vriendin van Lena arriveert, ze heet Jelena, een vriendelijke vrouw van in de dertig. „Als ze iets vragen bij de registratie”, zegt Lena, „moet je zeggen dat jullie vrienden zijn van Jelena.”

In het centrum van Tiraspol bevindt zich het registratiekantoor. Er zijn loketten met luxaflex ervoor. De loketten lijken gesloten. In een soort van wachtruime voor de loketten hangen drie mannen op leeftijd en een vrouw. Onduidelijk is of ze op iets aan het wachten zijn of dat ze hier zijn om warm te blijven. Het geheel doet denken aan een absurdistisch toneelstuk uit de jaren vijftig. Jelena klopt op een van de loketten. De luxaflex wordt een beetje opzijgeschoven. Het raam gaat op een kier open. Jelena krijgt twee formulieren, die ze namens ons invult. We zetten onze handtekening en ze loopt met onze paspoorten en formulieren weer naar het loket. Wie er achter het loket zit, hebben we niet te zien gekregen. Dit doet eerder merkwaardig dan bedreigend aan.

„Wat voor werk doe je?” vraagt Olav aan Jelena, terwijl wij op onze paspoorten wachten. Jelena schrijft haar telefoonnummer op een stuk papier. „Betekent dit dat ze niet zo goed Engels spreekt en jouw vraag verkeerd begreep of betekent het iets anders?” vraag ik Olav. In Transnistrië is de werkelijkheid een puzzel die alleen vergevorderden lijken op te kunnen lossen.

Nu we ons geregistreerd hebben, heeft Jelena opeens haast. Ze wil geen koffie met ons drinken. In het appartement dat we van Lena huren, ontmoeten we Anya, onze tolk. Anya is lerares Engels. Ze is in de dertig, ze heeft uitgesproken jukbeenderen en een blik die tegelijkertijd vermoeid en wantrouwig is. „Heet je echt Yasha?” vraagt ze. „Kijk maar in mijn paspoort”, zeg ik. Anya gaat niet zitten. „Je moet oppassen”, zegt ze, „dat je hier niet voor spion wordt aangezien.”

„Hoe word je voor spion aangezien?” vraag ik. „Je moet geen foto’s maken”, zegt ze.

„En wat moet je nog meer niet doen?”

„Je moet je gewoon niet als spion gedragen.” We knikken. „Iets anders”, zegt Anya. „Een vriendin heeft gezegd dat ik 10 euro per uur moet vragen. Is dat akkoord?”

„Prima”, antwoord ik. Het gemiddelde maandsalaris in Transnistrië is 250 dollar. „Hoe is het leven in Transnistrië?” vraag ik Anya. „Het is hier Sheriff-republiek”, antwoordt ze.

De volgende ochtend gaan we naar het bouwbedrijf van Sheriff. We hebben een afspraak met Dimitri, ‘vicepresident’. Het hoofdkantoor bevindt zich naast het sportcomplex van F.C. Sheriff. Misschien komt het door de sneeuw, maar vergeleken met Tiraspol zelf, waar alles uit de sovjettijd lijkt te stammen, doet het sportcomplex denken aan een sciencefictionfilm, van lang geleden weliswaar. De secretaresse laat ons tien minuten wachten en dan mogen we Dimitri’s kantoor betreden. Het is ruim maar leeg en op zijn bureau staat een klok in de vorm van een voetbal. Dimitri heeft een snorretje en hij draagt een groot horloge.

„Wat komen jullie hier doen?” vraagt hij.

„We willen in Transnistrië investeren”, zeg ik. „In hotels.”

„We hebben genoeg geld”, zegt Dimitri. „We bouwen zelf een vijfsterrenhotel.”

„Is er toekomst voor toerisme in dit land?” vraag ik. „Willen jullie een eerlijk antwoord of het antwoord van een patriot?” vraagt Dimitri. „De toekomst is onzeker. Blijft dit land onafhankelijk, komt er een economische unie met Moldavië?”

„Brengt het voetbal toerisme?” vraag ik. Dimitri schudt zijn hoofd. „Mensen komen met de auto en gaan weer weg met de auto”, zegt hij, voor het eerst met iets van gevoel in zijn stem, een lichte teleurstelling. „Maar in Bender”, zegt hij, „daar is een hotel, daar kunnen ze wel wat geld gebruiken. Het heet Prietenia, dat is ‘vriendschap’ in het Moldavisch, er wonen veel Russische soldaten. Zal ik even bellen?”

„Graag”, zeg ik.

Een kwartier later zijn we op weg naar Bender, een grensstad met Moldavië aan de westelijke oever van de Dnjestr: in de oorlog met Moldavië is hier het zwaarst gevochten. Als we de brug over de Dnjestr overgaan, passeren we een wachtpost met Russische militairen. De Russische militairen heten vredestroepen. Voor Hotel Vriendschap, dat een verpauperde indruk maakt, is een Russische militair sneeuw aan het wegschuiven. Zou het restant van het Russische 14e Leger, dat zich op Transnistrisch grondgebied bevindt, hier zijn ingekwartierd?

De manager, Vitali, ontvangt ons enthousiast en zonder argwaan, alsof hij al maanden heeft zitten wachten op investeerders uit het Westen. Hij loopt in een spijkerbroek en heeft een buikje. „We hebben twee restaurants, een nachtclub, een biljartzaal en een sauna”, zegt hij. Hij laat ons de sauna zien, die net gerenoveerd is.

„Hoe duur is een kamer?” vraag ik.

„We hebben drie soorten prijzen”, zegt Vitali, „voor mensen uit Transnistrië, voor mensen uit de voormalige Sovjet-Unie en voor buitenlanders.”

Op de bovenste verdieping van het hotel bevinden zich de gerenoveerde kamers. Ze maken een betrekkelijk gerieflijke indruk. Op het bed ligt een groot kussen in de vorm van een hart. Ik kan het niet helpen: ik zie geen hotelkamer, ik zie een liefdesnest.

„Hoe duur is je geld?” vraagt Vitali als we weer naar beneden gaan. „Wat moet je terug voor je investering?”

„Daarover moeten we onderhandelen”, zeg ik. Op de begane grond bevindt zich een kleine winkel waar trouwjurken worden verkocht. „Wie is eigenlijk de eigenaar van dit hotel?” vraag ik. „De vakbond”, zegt Vitali. Later horen we dat de vakbond alleen pro forma eigenaar is van Hotel Vriendschap, de ware eigenaar is de vader van Vitali.

In ons hotel, City Club in Tiraspol hebben wij afgesproken met een fixer, een journaliste die Marina heet. Ze is in de veertig. Ze heeft een vertaalster bij zich, Irina, een vrouw van in de twintig die een grijs mutsje op heeft, dat ze niet afzet.

Voorzichtig leg ik Marina uit dat we willen weten of de geruchten waar zijn dat Transnistrië het centrum van vrouwen- en wapenhandel is. Een rapport van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken over Moldavië en Transnistrië (2006) meldt dat Transnistrië een significante rol speelt in de internationale mensenhandel, bovendien dat gevangenen gefolterd worden en er dubieuze arrestaties plaatsvinden van personen die kritiek uiten op de regering.

„Hebben jullie een accreditatie?” vraagt Marina. „Nee”, zeg ik, „we zijn hier voornamelijk als investeerders. Maar we zijn nieuwsgierige investeerders.”

„Zonder accreditatie breng je jezelf en anderen in gevaar. Heb je ons nodig?”

„Ik zou graag meer willen weten over vrouwen- en wapenhandel.”

„Zonder accreditatie breng je jezelf en anderen in gevaar”, zegt Marina. „Hebben jullie mij nodig? Wat kan ik voor jullie doen?”

Deze dialoog herhaalt zich nog vier keer.

Het dadaïsme is niet dood, Tiraspol zou wel eens de dadaïstische hoofdstad van Europa kunnen zijn. Ik probeer het maar via de vertaalster. „Ben jij journalist?” vraag ik.

„Ik werk voor een huwelijksbureau”, zegt Irina. „Ik breng westerse mannen in contact met Transnistrische vrouwen.”

„Ben je zelf met een westerse man getrouwd?”

„Gelukkig niet.”

„Wat moet je doen om met een Transnistrische vrouw te trouwen?”

„Je moet klaar zijn voor de liefde.”

Dan neemt Marina weer het woord. Ze wil weten wie we allemaal hebben ontmoet en wie we nog gaan ontmoeten. Ik vind dat dat haar niets aangaat. Voor ze weggaan, troggelen Marina en Irina ons vijftig euro af. Olav belt de volgende dag op mijn verzoek naar Irina en zegt dat we klaar zijn voor de liefde, maar Irina gooit de hoorn erop. Voor de zoveelste keer in Transnistrië schaam ik me.

In een kelder in de Zelinskogostraat bevindt zich Interaction, een niet-gouvernementele organisatie die zich bezighoudt met het bestrijden van mensenhandel en huiselijk geweld in Transnistrië. Directrice is Oxana Alistratova, van beroep pedagoog, die in 2004 vanwege haar werkzaamheden door de geheime dienst van Transnistrië is lastiggevallen. De OVSE (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) had zich ervoor ingezet dat ze elders in Europa asiel kon krijgen, maar daar wil ze niet meer over praten. Nu werkt haar ngo samen met de Transnistrische geheime dienst en het ministerie van Binnenlandse Zaken, zegt ze.

Twee medewerksters van Alistratova, Jelena en Julia, leggen uit wat Interaction doet. „We hebben twee hotlines, een voor huiselijk geweld, een voor illegale immigratie en trafficking. In 2006 zijn we de hotline voor trafficking begonnen. We hebben tot nu toe 600 telefoontjes gehad, waarvan 180 SOS-telefoontjes. Dat laatste wil zeggen dat een familielid belt om door te geven dat zijn dochter of vrouw slachtoffer is van trafficking. De belangrijkste landen waar vrouwen heen worden gestuurd zijn Turkije en de Emiraten. Maar interne trafficking komt ook voor. We hadden het geval van een zestienjarig meisje dat met geweld naar een bordeel was gebracht. Ze was bang dat ze voor een fles wodka aan het buitenland zou worden verkocht. Ze zag kans ons te bellen.”

„Een fles wodka is de prijs voor een vrouw?” vraag ik. „Dat kan de prijs zijn. Mannen worden ook verhandeld. Zij komen niet in de seksindustrie terecht, maar worden als slaven verhandeld. Maar het is lastig mannen te bereiken, want zij praten er niet over. Zij schamen zich.”

Oxana zegt: „Soms klimmen vrouwen die slachtoffer worden van vrouwenhandel op. Zij keren terug naar hun eigen land en worden ‘recruter’. Zij halen dus andere meisjes over om naar het buitenland te gaan. Ik heb wel eens aan zo’n meisje gevraagd: ‘Vind je het goed wat je doet?’ Ze antwoordde: ‘Het is beter dan prostituee te zijn.’ Dat begrijp ik goed. Je kunt beter de manager van de prostituees zijn dan de prostituee zelf.”

De avond voor ons vertrek bezoeken wij Grigori Volovoi, hoofdredacteur van de onafhankelijke oppositiekrant Novaya Gazeta (oplage: 2.500 exemplaren). Het hoofdkwartier van dit weekblad bevindt zich in een grauw appartement in een buitenwijk van Bender. „Er is persvrijheid”, zegt Volovoi, een ernstige man van in de vijftig, „maar niet voor iedereen. De regering laat ons met rust, want we hebben tanden en we kunnen bijten. Vind je het goed als ik dit gesprek film? We hebben ook een website.”

Het gesprek wordt even gefilmd, de camera is vooral op mij en Olav gericht. „De geheime dienst is groter dan ten tijde van de Sovjet-Unie”, zegt Volovoi. „Ik was partijsecretaris van de communistische partij. Ik weet waarover ik spreek. De rechters zijn corrupt. De advocaten zijn corrupt. De verkiezingen niet vrij. De bovenlaag heeft er belang bij dat dit land blijft wat het is, onafhankelijk maar door niemand erkend, want dan hoeven ze zich aan geen enkele internationale wet te houden en kunnen ze smokkelen zoveel ze willen. Er is een gebrek aan serieuze informatie, maar dat komt vooral doordat mensen geen serieuze informatie willen.”

„Hoe zit het met de vrouwen- en wapenhandel”, vraag ik. „Is de regering daarbij betrokken?” Volovoi heeft geen tijd meer voor ons. „Ik moet weg”, zeg hij. „Het was leuk. Tot een volgende keer.”

De volgende ochtend rijden we door de mist naar de Moldavische grens. Transnistrië heeft iets vriendelijks: als jij de regering met rust laat, laat de regering jou ook met rust. Is dat elders niet veelal ook zo? Maar ik kan niet aan Transnistrië denken zonder me de uitspraak van Oxana Alistratova te herinneren: „Je kunt beter de manager van de prostituees zijn dan de prostituee zelf.”

Drie weken na mijn vertrek uit Transnistrië ontving ik een mail van een journalist. Hij vertelde me dat een vriend in Transnistrië hem had verzocht mij te contacteren. Deze persoon wilde me niet direct contacteren uit bezorgdheid over de eigen veiligheid. Na ons vertrek heeft de MGB, de Transnistrische geheime dienst, contact gezocht met de mensen met wie wij hebben gesproken. De journalist schreef: „Ik begrijp dat je nog eens terug wil naar Transnistrië. Het is belangrijk dat je hiervan op de hoogte bent.”

Hij verzocht mij uitdrukkelijk niet zijn naam te noemen in het stuk. Ik las in de mail een waarschuwing om voorlopig niet meer terug te keren naar Transnistrië. Maar ik weet niet wie paranoïde is: de journalist, ik, de burgers van Tiraspol, de staat Transnistrië? En ik kan niet beoordelen wat in dit geval gevaarlijker is: paranoia of het gebrek eraan.