De rokende Sartre

In 2005 is in de Bibliothèque nationale de France, het gebouw dat naar Francois Mitterrand is genoemd, een uitgebreide tentoonstelling over leven en werk van Jean-Paul Sartre gehouden. Hij was toen honderd jaar geleden geboren. Sinds 1945, nadat ik in Nederlandse vertaling zijn Huis clos had gezien, ben ik een kritische bewonderaar van hem en dus ging ik erheen. Het was grondig en bewonderenswaardig aangepakt. Het begon met een portretje van het genie toen hij zeven was, een ernstig kereltje in een matrozenpakje, lang krullend haar en een klein beetje loensend. Dan kwam hij als soldaat. Als leraar in Le Havre. Daar stond hij met Simone de Beauvoir, daar zag je hem verliefd naar Dolorès Vanetti kijken. Sartre in Café de Flore. Met vrienden, Raymon Aron, André Glucksmann. Delen van manuscripten in vitrines. Zijn hele leven breed uitgemeten. En op negen van de tien foto’s rookte hij een pijp of een sigaret.

Ook zes jaar geleden was de anti-rookbeweging al in volle opmars. Terwijl de tentoonstelling in voorbereiding was, ontstond er een ruzie tussen de historici en de anti-rokers. De fundamentalistische vleugel van deze club was bang dat al dat gepaf door het publiek zou worden opgevat als een aanmoediging om ook weer eens op te steken. Op een paar foto’s en het affiche voor de tentoonstelling hebben ze toen hun zuiverend werk gedaan.

En nu, las ik in deze krant van 22 januari, is de zaak opnieuw actueel. Volgens de in 1991 aangenomen wet-Evin mogen op openbare plaatsen geen afbeeldingen van rokende mensen zichtbaar zijn. De socialistische afgevaardigde Didier Mathus zegt dat hiermee de geschiedvervalsing wordt gelegaliseerd. De sovjetencyclopedie had ook zo’n retoucheerafdeling om het verleden met het heden in overeenstemming te brengen. In Orwells 1984 heb je het ministerie van de waarheid. Op 27 januari wordt over de interventie van Mathus gestemd.

In juli 1963 was Sartre in Amsterdam. Hij logeerde in hotel De Doelen. Laten we hem gaan interviewen, zei mijn vriend de kunstschilder Hans Koetsier. Goed. Ik belde het hotel, kreeg de schrijver aan de telefoon. Een interview? Maar natuurlijk. Dezelfde middag zaten we tegenover hem in zijn kamer. Hij wilde liever over politiek dan literatuur praten. „Een intellectueel van links denkt na en poetst niet zijn ziel op voor ademloze fijnproevers”, zei hij. En hij ging voortvarend verder, over de verderfelijkheid van het kapitalisme, de mogelijkheid van gewapend verzet in West-Europa en de verdiensten van Mao Zedong. Hij neigde ertoe om zich tot het maoïsme te bekeren. Intussen stak hij de ene sigaret na de andere op en liet ons gul in het rookgenot meedelen. Hij rookte Boyards maïs, de dikste sigaret die ik ooit heb gezien. Wordt niet meer gemaakt.

Het interview is te vinden in het Algemeen Handelsblad van 20 juli 1963 met prachtige foto’s van Ronald Sweering. Geen foto zonder sigaret. Het eindigt als volgt: ‘Een van de interviewers krijgt opeens sterk de indruk dat hij er geen touw meer aan vast kan knopen.’ (Dat was ik. Sartre heeft het in vertaling gelezen en er niets over gezegd.)

Een jaar voor zijn dood werd hij vrijwel blind. Hij had nog een film over de geschiedenis van Frankrijk willen maken maar dat ging niet door. Toen kreeg hij bezoek van een journalist van Newsweek. ‘U bent nu blind, kunt niet meer werken. Waarom leeft u nog?’ Sartre zei: ‘Om verder te leven, en te roken.’