De adel hing lekker de beest uit

Bij de oude adel ging de eer voor alles. De lontjes waren kort, krenkingen moesten meteen worden ‘gerepareerd’. Respect, daar draaide het om, leest historicus Roelof van Gelder

Conrad Gietman: Republiek van adel. Eer in de Oost-Nederlandse adelscultuur (1555-1702). Van Gruting, 343 blz. € 32,-

Arie van Steensel: Edelen in Zeeland. Macht, rijkdom en status in een laatmiddeleeuwse samenleving. Verloren, 492 blz. € 47,-

Boer Esken Henricx had pech, die dag in april 1639, de wreedste van zijn leven. Twee jagende Gelderse edellieden achtervolgden een haas en reden met hun paarden en honden dwars door zijn roggeveld en vernielden het zaaigoed. Toen Esken hen hierop aansprak en riep dat de heer van wie hij het land pachtte dit niet zou dulden, sloegen de twee edellieden hem een gat in het hoofd. Daar bleef het niet bij. Leden van de dadersfamilie, de Van Keppels, kwamen terug, vernielden zijn moestuin en sloegen opnieuw een gat in zijn hoofd. En de derde keer kwamen ze hem ‘afsmeren’ zoals ze dat beliefden te noemen, wat neerkwam op het afranselen van de arme boer. Een paar maanden later kregen de Van Keppels van het Gelderse Hof te horen dat er een gerechtelijke procedure tegen hen was begonnen. Tot een veroordeling is het nooit gekomen.

Dit voorval is een van de honderden kleine tragedies die de historicus Conrad Gietman zijn lezers voorschotelt in zijn studie over de Oost- Nederlandse adel. Hij gebruikt degelijke verhalen om uiteen te zetten hoe het wereldbeeld van een edelman eruitzag en hoe hij dat vorm gaf. Eer was de kern van die visie. In het leven ging het erom de eer van de familie hoog te houden, te vermeerderen en door te geven aan het nageslacht. Een edele was een edele bij geboorte en bezat rechten en plichten. Tot de rechten behoorde een hoge plaats in de standenmaatschappij van toen met alle voorrechten en alle aanzien van dien. Als plicht gold de trouw aan de landheer, de bescherming van zijn ondergeschikten en een nobel, exemplarisch gedrag.

Gietman heeft lang aan dit onderzoek gewerkt en gedurende vele jaren een grote hoeveelheid uiteenlopende bronnen doorgewerkt, waarvan een deel zich nog in familiebezit bevindt. Hij heeft hiermee een interessant boek geschreven dat een welkom accent legt op een historiografisch minder bedeeld terrein van de Nederlandse geschiedenis. De nadruk voor de vroegmoderne tijd immers ligt op het westelijk deel van Nederland, Holland en Zeeland, waar een burgerlijke, stedelijke handelscultuur heerste, waardoor gemakshalve de hele Republiek ook maar als burgerlijk wordt beschouwd. De hier behandelde adel staat haaks op die ‘Hollandse burger’: uiterst standbewust, hiërarchisch denkend, sterk op Duitsland gericht en niet zelden katholiek.

Gedetailleerd beschrijft Gietman hoe de jonge edellieden werden gekneed tot grote heren. De opvoeding kreeg veel aandacht; ze gingen naar school, soms naar de Latijnse school, sommigen gingen studeren en maakten vervolgens een Grand Tour naar Frankrijk of Italië.

Daarna werden ze klaargestoomd voor een bestuurlijk ambt, voor een hoge legerpost of voor het verstandig beheren van het grondbezit. Huwelijken werden zorgvuldig voorgekookt, alle hoop werd gevestigd op mannelijke kroost. De begrafenis ten slotte moest ook spectaculair zijn, met langdurig rouwbeklag, eindeloze treurstoeten, bijzetting in het familiegraf en een fraai uitgehakte grafplaat als sluitstuk van een edel leven.

Tijdens al deze fases in de ontwikkeling van leden van de adel – en Gietman vergeet de vrouwelijke leden niet – werd het er ingestampt: het gaat om de familie-eer, die moet blijken uit het uiterlijk vertoon, uit daden, uit deugdzaam gedrag. Je zou dan ook beschrijvingen verwachten van nobele edelen die met respect en liefde over hun ondergeschikten waakten. Die zullen er geweest zijn, maar uit dit boek houd je toch een ander beeld over.

Machogedrag

Eigenlijk schetst Gietman een nogal onthutsend beeld van die adel. Misschien komt dat omdat zijn juridische bronnen voortkomen uit conflicten en omdat in de familiekronieken het dramatische genoteerd werd.

Welk aspect Gietman ook behandelt, het is een aaneenschakeling van ruzies over erfenissen, jachtgebieden, niet nagekomen trouwbeloftes, schakingen, beledigingen, uit de hand gelopen vechtpartijen en erg veel aanmatigend gedrag.

De eer van de adel kende een harde, uiterlijke kant. ‘Adellijke heerschappij had vanouds een sterk fysieke component’, heet het in de taal der wetenschap, maar laten we het maar machogedrag noemen. Omdat een edelman nu eenmaal zo was opgevoed dat hij zich meer en beter voelde dan een niet-edele, grepen de heren nogal eens naar het mes of de degen. Ze hadden per definitie recht op respect. Krenking van hun eer moest onmiddellijk worden ‘gerepareerd’.

De adel meende ook het volste recht te hebben op een kort lontje. Gietman geeft indringende staaltjes van arrogant, zo niet hufterig gedrag – tegen arme boeren als Esken Henricx, maar ook tegen burgers die opkwamen voor hun stedelijke rechten en tegen standgenoten. Ook het eigen huispersoneel had vaak te lijden onder de opvliegende nukken van hun heer. Misschien dat een enkele edelman aan de Leidse universiteit braaf over de Stoïcijnse denkbeelden had gelezen en naar evenwicht, regelmaat, het juiste midden en zelfbeheersing heeft gestreefd. In de praktijk echter lijkt hij dat toch weer snel te zijn vergeten en maar wat graag, beneveld of niet, naar de degen te hebben gegrepen.

De adel nam in Gelderland en Overijssel sterke bestuurlijke posities in. Deze traditionele politieke macht werd enerzijds betwist door een centraliserende Habsburgse overheid en later door de opkomende stedelijke burgerij en door het systeem van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Het geweld door de adel nam volgens Gietman in de loop van de 17de eeuw af toen de republikeinse staatsvorm steviger geïnstitutionaliseerd werd en het staatsgezag zich sterker deed gelden.

Gietman heeft een leesbaar boek geschreven over de mentaliteit en het gedrag van een wat vergeten maar belangrijke groep in de Nederlandse geschiedenis. De materiële kant van het adelsleven liet hij buiten beeld: hun inkomen, hun hele uiterlijke manifestatie in de vorm van kastelen, havezates, tuinen en de aankleding van al die adellijke bouwwerken. Ook aspecten als kleding, liefhebberijen – behalve het adellijke privilege van de jacht –, en leescultuur heeft hij weggelaten. Het is te hopen dat hij ook daar nog eens een studie aan wijdt.

Totaaloverzicht

Aandacht aan deze aspecten wordt wel besteed in het boek van Arie van Steensel in over de Zeeuwse adel. Deze studie is onderdeel van een groter onderzoeksproject waarin ook de adel in Holland, Vlaanderen, Brabant en Henegouwen worden bestudeerd, waardoor uiteindelijk een totaaloverzicht van de Bourgondisch-Habs- burgse adel in de Nederlanden kan ontstaan.

Edelen in Zeeland behandelt op een grondige, systematische manier veel meer thema’s dan Gietman, zoals mobiliteit, financiële positie en familienetwerken. Hij werkt ook meer met kwantitatieve gegevens. Zijn sociologische en economische aanpak is gevat in een afstandelijker toon. Waar Gietman op zijn narratieve wijze vrijwel elke pagina een of twee Gelderse of Overijsselse edelen aan het woord laat, komt er bij Van Steensel nauwelijks een citaat aan te pas. Hij behandelt dan ook een vroegere periode waarin particuliere observaties zeldzaam waren, en van Zeeuwse adel is geen familiearchief bewaard gebleven. Niettemin, waar de boeken elkaar thematisch overlappen vallen overeenkomsten op.

Ook Van Steensel behandelt het aspect van de familie-eer. Hij gaat wel in op de materiële cultuur, al zijn de bronnen schaars, en hij beschrijft uiterlijke kenmerken die macht, bezit en status gestalte gaven: het bezit van een kasteel, de presentatie van de familiewapens in kerken, pracht en praal.

Ook hij concludeert, afgaande op financiële positie, invloed in de steden, op het platteland en aan het hof, dat er in de late Middeleeuwen geen sprake was van een versneld verval, verarming en degeneratie van de sociaal-politieke macht van de adel. Ook hij laat zien hoe de macht van de adel begon te tanen door de spanning met de centrale overheid en de opkomst van een stedelijke burgerij en een handelselite. En ook hij geeft fascinerende staaltjes van adellijk geweld en de geleidelijke indamming daarvan door de opkomst van een centrale overheid. Ook hier lezen we hoe belangrijk de adel de jacht vond en hoe arrogant deze lieden te keer konden gaan.

In 1460 jaagde de jonge edelman Bartholomeus van Biggekerke op eenden in de gracht rond het hof van ene Adriaan Maartenz. Toen diens echtgenote hem daarop aansprak gebruikte hij grof geweld tegen haar en haar dienstmaagd. Ook hier kwam een rechtszaak van, een symptoom van een geleidelijke institutionalisering van het recht en van staatsvorming. Dat maakte – later dan men altijd heeft gedacht – langzaam maar zeker een eind aan de arrogantie en willekeur die de adel zich zo lang heeft kunnen permitteren in dit land, dat overigens minder burgerlijk was dan doorgaans wordt aangenomen.

Tegelijkertijd moeten we bedenken dat familie-eer en arrogant gedrag geen monopolie van de adel waren.