Chinese arbeider tevreden het nieuwe jaar in

Twee jaar geleden moesten de arbeidsmigranten in China naar huis. Er was geen werk. Nu is het andersom: bedrijven bieden steeds hogere lonen om de arbeiders vast te houden.

Met grijs plakband bindt Zhang Yu een stapeltje roze 100 yuan-biljetten met de beeltenis van Mao Zedong op zijn blote buik. Kan hij tenminste wegdutten tijdens de 18-urige treinreis naar Chongqing zonder vrees dat zijn spaargeld wordt gegapt. De 32-jarige arbeidsmigrant die bij keukenfabrikant Fotilje in de havenstad Ningbo werkt, is donderdag als tevreden man begonnen aan de jaarlijkse trek naar huis om het nieuwe jaar te vieren.

Hij heeft een goed jaar achter de rug. Tweemaal een loonsverhoging van 15 procent, waardoor zijn maandinkomsten uitkwamen op 2300 yuan (263 euro) en deze week kreeg hij ook nog een loyaliteitsbonus van 300 yuan(35 euro) en een reiskostenvergoeding.

„Mijn baas bood mij zelfs een extra maandsalaris aan als ik tijdens de feestdagen gewoon zou doorwerken. De vraag naar luxekeukens is enorm. Maar ik wil graag naar mijn vrouw en mijn dochter, want die heb ik al een jaar niet gezien en ik wil mijn huis gaan verbouwen”, zegt Zhang Yu op het plein voor het centraal station van Shanghai.

Zhang Yu’s werkgever, Fotilje, is beslist niet het enige bedrijf aan de oostkust dat vlak voor het Chinese Nieuwjaarsfeest loyaliteitsbonussen heeft uitgekeerd. „We moeten wel, want vorig jaar keerden 1.000 van de 8.000 werknemers na de feestdagen niet terug. Daarom betalen we ook hun reiskosten”, vertelt Wang Ling Ling, hoofd personeelszaken van Fotilje.

In (stads)provincies als Beijing, Shanghai, Zhejiang en vooral in het zuidelijke Guandong zijn grote tekorten aan goedkope arbeidskrachten ontstaan omdat arbeidsmigranten in toenemende mate vergelijkbaar betaald werk in hun thuisprovincies kunnen vinden. In het zuidelijk Shenzhen en Dongguan, ground zero van de Chinese exportindustrie, keerde vorig jaar 55 procent van de werknemers na de feestdagen niet terug. Alleen al in de Parelrivierdelta is het tekort aan arbeidskrachten opgelopen naar 900.000.

De vraag naar arbeidskrachten steeg ook omdat in 2010 de export toenam met 31,3 procent naar ruim 1.200 miljard euro. Verwacht wordt dat deze prestatie dit jaar zal worden geëvenaard.

In provincies met grote industriegebieden zijn de wettelijke minimumlonen (nu 110 euro per maand) verhoogd en nieuwe stijgingen toegezegd.

De arbeidsbeurzen van Shanghai, Ningbo, Nanking en in de grote zuidelijke steden Guangzhou en Shenzhen melden loonsverhogingen van 35 tot 55 procent voor werknemers met technische opleidingen of tenminste middelbare school. Gemiddeld stegen in China in 2010 de loonkosten met 20 tot 25 procent en dat zal in 2011 opnieuw gebeuren, verwachten economen en bedrijven.

„Het tekort aan arbeidskrachten in de oostelijke kustprovincies zal alleen maar toenemen. Maar over de hele linie genomen is er in China nog geen sprake van arbeidstekorten, er is zelfs nog steeds een behoorlijk overschot aan arbeidskrachten van zo’n 100 miljoen mensen. Dat zal de komende vijf jaar snel slinken. Vroeger joegen arbeidsmigranten op werk, nu is de situatie omgekeerd: bedrijven moeten zich inspannen om hun werkers te behouden”, legt professor Ren Deng van de economische faculteit van de Shanghaise Fudanuniversiteit uit.

„Jongere generaties arbeidsmigranten zijn beter opgeleid, zelfbewuster en willen niet dezelfde offers brengen als hun ouders. Zij kennen hun rechten ook beter”, zegt Ren. Het waren in mei, juli en augustus 2010 jonge mannen en vrouwen die de straat opgingen voor meer loon en betere arbeidsomstandigheden. Vooral Japanse, Hongkongse en Taiwanese bedrijven waren het doelwit.

De Chinese overheid steunt deze ontwikkeling door de minimumlonen te verhogen en beter toe te zien op de naleving van de nieuwe Arbeidswet (2008).

De stijging van de lonen en grondprijzen leiden er samen met de milieuwetten toe dat textiel- en schoenenfabrikanten hun bedrijven verhuizen naar naburige lagelonenlanden, Vietnam en Maleisië in het bijzonder, maar ook naar Indonesië, Birma en Bangladesh. Officiële cijfers over het aantal bedrijven dat is verplaatst zijn niet voorhanden, maar het Japanse Nomura Secuities zegt in een vandaag gepubliceerd rapport dat deze trend in 2011 duidelijk zichtbaar zal worden.

„Het einde van de tijd van China als lage lonenland komt nu snel in zicht. Bedrijven moeten rekening houden met hogere lonen en productiekosten en buitenlandse consumenten zullen meer moeten gaan betalen voor Made in China-producten en dat werd tijd”, denkt professor Ren Deng, die pleit voor een herstructurering van de Chinese maakindustrie.

Een ander effect van de loonstijgingen is dat de inflatie in China (4,6 procent) onder opwaartse druk komt te staan. Daar staat tegenover dat de binnenlandse vraag in China zal toenemen als miljoenen arbeidsmigranten steeds koopkrachtiger worden. Versterking van de binnenlandse vraag is een economische prioriteit van de overheid.

Zhang Yu is in zijn dorp beslist niet de enige die een nieuw huis voor de hele familie aan het bouwen is. Over twee weken is Zhang weer op de terugweg, want Fotilje is een goede werkgever en hij weet bovendien dat per 1 maart de lonen opnieuw omhoog gaan. Als hij na de feestdagen twee werkwillige en capabele dorpsgenoten meeneemt naar de fabriek van luxueuze keukens ontvangt hij bovendien twee extra bonussen.