Bij misbruik waren journalisten niet nieuwsgierig

Journalisten hadden eerst weinig interesse voor seksueel misbruik in de Kerk. Pas door berichten uit het buitenland veranderde dat, stelt Joep Dohmen. Dat rekent hij ook zichzelf aan.

Er is één vraag die ik mij afgelopen maanden vaak gesteld heb. Waarom duurde het tot februari vorig jaar voordat de storm over kerkelijk seksueel misbruik in Nederland losbrak? Waarom wachtte ik tot Robert Chesal van de Wereldomroep mij belde en wij een pact sloten om het kerkelijk misbruik in Nederland aan te tonen? Een pact dat, zoals u gemerkt zult hebben, vruchtbaar was.

Laat ik nuanceren. Het is niet zo dat de media vóór die tijd stilzaten. Journalisten en programmamakers als Hans Koekoek en Ber Crouzen publiceerden al in 1982 en 1994 over misstanden op katholieke internaten en scholen.

Ook rond 2002, toen de misbruikberichten uit Ierland kwamen, was er journalistieke aandacht. In de media verschenen artikelen over de misstanden in de Kerk in dat land. Maar tot een hausse aan berichten over de situatie in eigen land kwam het niet.

Natuurlijk was er ook in 2002 journalistiek pionierswerk. Enkele televisieprogramma’s toonden gevallen van seksueel misbruik binnen de Kerk in Nederland. Maar het bleven losse verhalen, incidenten. In 2002 deden ook Guido de Vries en ik voor NRC Handelsblad twee maanden onderzoek. Ook wij berichtten over gevallen van kerkelijk misbruik, vooral in parochies. Anders dan in februari vorig jaar werden deze berichten niet breed opgepakt. Destijds liet de pers het erbij zitten.

Ik wil dat verduidelijken. Ik reken het mijzelf aan dat ik niet al in 2002 het katholieke internaatssysteem heb onderzocht. Hoewel ik destijds ook meldingen uit kostscholen en internaten had, was ik gefocust op pastoors en kapelaans die zich in parochies vergrepen hadden. Inmiddels weten we dat juist in het internaatssysteem de meeste slachtoffers vielen.

Ik reken het me ook aan dat ik in de late herfst van 2009 niet zelf op het idee kwam om een diepgaand onderzoek te beginnen naar het misbruik, toen de berichten over misstanden op katholieke internaten in Duitsland ons bereikten. Pas in februari 2010 – toen Robert Chesal mij belde – kwam ik in actie. Robert had een interview gehad met een oud-internaatsleerling en vroeg mij om nadere informatie. Hij wilde weten of de man – die zei misbruikt te zijn – een incident was of symbool stond voor een breder probleem. En dat, dames en heren, was de juiste journalistieke vraag.

Het misbruik bleek massaal, zo weten we nu, en inderdaad een publiek geheim. Achteraf vertellen velen hoe zij al langer wisten van individuele gevallen.

Dat de journalistiek in Nederland niet eerder massaal op onderzoek uitging in internaten, mag je de journalistiek aanrekenen. Journalisten bevinden zich overigens in het gezelschap van wetenschappers. Kerkhistorici onderzochten jaar in jaar uit de katholieke kerk en de internaten. Schreven er boeken over, al dan niet op kosten van diezelfde Kerk overigens. Niet één Nederlandse wetenschapper zag afgelopen tien jaar in de stroom misbruikberichten uit het buitenland aanleiding om zich de nieuwsgierige onderzoeksvraag te stellen: heeft dat massale misbruik ook in Nederland plaatsgevonden?

Uiteindelijk zijn deze wetenschappers ingehaald door journalisten. Dat is onze troost. Dankzij de inspanningen van de media weten we nu dat ook op katholieke internaten in Nederland kinderen structureel seksueel misbruikt en mishandeld zijn.

Dat het kerkelijk misbruik vorig jaar uitgroeide tot een mediastorm, komt ook omdat slachtoffers massaal bereid waren te getuigen. Bovendien was even voor onze onthulling in februari de publieke opinie gesensibiliseerd. Dat gebeurde door het nieuws dat priesters weigerden hosties te geven aan homoseksuele gelovigen. Toen kort daarna bleek dat priesters aan kinderen gezeten hadden, en dat kerkleiders dat hadden toegedekt, was het land al snel te klein.

De journalisten hadden aanvankelijk een gebrekkige nieuwsgierigheid in de affaire rond het seksueel misbruik in de Kerk. En nieuwsgierigheid is misschien wel de belangrijkste professionele eigenschap voor een journalist. Een collectief gebrek daaraan leidde ertoe dat het zo lang duurde voordat we wisten wat we nu weten.

Dit is het dankwoord dat NRC-redacteur Joep Dohmen gisteren uitsprak bij de uitreiking van de prijs van Journalist van het Jaar.