Zesjescultuur? Daar heb ik nooit iets van gemerkt

Wat wordt er toch veel, bijna elitair te noemen onzin verkondigd over de voorgenomen bezuinigingen op het hoger onderwijs. In de jaren vijftig, zestig en zeventig van de vorige eeuw bestond de studiebeurs voor studenten aan de universiteit – alleen zij kregen een studiebeurs – uit een renteloze lening. Heeft dat mij, kind uit een arbeidersgezin, belemmerd om te studeren? Neen. Was ik dan misschien een armlastige student? Helemaal niet. Met een vakantiebaan van vier weken per jaar – bonen plukken, postbode, werken in een machinefabriek – had ik een riant jaarinkomen.

Neen, ik had geen auto, zelfs geen bromfiets en al helemaal geen ov-jaarkaart, maar ik had wel een fiets – en een vriendin met geld, met wie ik later veiligheidshalve maar ben getrouwd, meer dan veertig jaar geleden.

Het is toch volstrekt vanzelfsprekend dat het volgen en afronden van een opleiding maximaal de voorgeschreven periode moet duren. De overheid is al uitermate genereus, door studenten toe te staan om over een vierjarige opleiding – drie jaar bachelor, één jaar master – zes jaar te doen. Jezelf ontplooien, daar is het gewone leven voor, nog los van het feit dat slechts een kleine minderheid van de studenten actief is in het verenigingswerk.

Ik heb meer dan zesendertig jaar met heel veel plezier college gegeven aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In al die jaren heb ik niets van een zesjescultuur gemerkt. Dat is dan ook een onjuist en daarmee beledigend verwijt aan studenten. Met de kwaliteit en inzet van onze studenten is niets mis. De overgrote meerderheid van de studenten studeert, met goede cijfers, binnen zes jaar af. Sterker, zij storen zich aan de uitzonderingsregelingen voor trage studenten.

Dr. Ton Mulder (65 jaar)

Oud-hoofddocent economische politiek Erasmus Universiteit Rotterdam, Hoek van Holland