'Ze vragen: was u liever dood geweest?'

Zoni Weisz, een Sinto, ontkwam aan het vernietigingskamp. Hij herdenkt zijn vermoorde volk en maakt zich zorgen over de levende zigeuners.

Zoni Weisz is een geliefd gastspreker op scholen als het om ‘de vergeten holocaust’ gaat. Muisstil is het in de klas als hij vertelt over de moord op 500.000 Roma en Sinti in de Tweede Wereldoorlog.

„Veel scholieren bestoken mij met vragen voorafgaand aan mijn bezoeken”, vertelt de 73-jarige Sinto uit Uden. „Soms zijn ze direct. ‘Lieve meneer Weisz’, schreef een scholier. ‘Had u niet liever dood willen zijn?’” Als enige overlevende uit een gezin van zes zou hij zich schuldig kunnen voelen, was de gedachte.

Een reële vraag, vindt Weisz. Maar ook „best heftig.” Na enig aarzelen stuurde hij de jongen een briefje terug. „Als je mij die vraag 65 jaar geleden had gesteld, zou ik ‘ja’ hebben geantwoord. Of misschien zelfs: heel graag. Nu denk ik: het leven gaat door. Ik ben gelukkig met mijn vrouw, kinderen en kleinkinderen.”

Vandaag voert Weisz dertig minuten lang het woord tijdens de jaarlijkse holocaustherdenking in de Duitse Bondsdag. Een primeur, want nooit eerder was iemand met een zigeunerachtergrond gastspreker tijdens de ceremoniële parlementsbijeenkomst, waar ook de Israëlische president Shimon Peres het woord nam.

Weisz’ rede wordt integraal door de ARD uitgezonden. „Een vorm van erkenning”, vindt hij.

Holocaust Memorial Day wil alle slachtoffers van de naziterreur herdenken, maar in de praktijk gaat er weinig aandacht uit naar Roma en Sinti, in Auschwitz een geliefd ‘studieobject’ van kamparts Josef Mengele. „Ons is hetzelfde overkomen als de joodse gemeenschap”, vindt Weisz. „Maar het lijkt wel of er ook in leed een hiërarchie bestaat. Wij worden te vaak over het hoofd gezien.”

Op 19 mei 1944 ontsnapte Weisz aan het zogenoemde zigeunertransport van Westerbork naar Auschwitz. Ouders Jacoba en Johannes, broertje Emil en zussen Augusta en Johanna waren enkele dagen ervoor tijdens een razzia in Zutphen opgepakt, terwijl hij bij een tante in een nabijgelegen dorp logeerde. Weisz werd alsnog opgespoord en moest zich op station Assen bij hen voegen, maar werd daar in bescherming genomen door een politieman. „Hij zei dat ik hard moest wegrennen als hij zijn pet afdeed. Dat heb ik gedaan. Terwijl ik de goederentrein met het blauwe jasje van mijn zus zag wegrijden, sprong ik in een personentrein.”

Van de dagen erna herinnert hij zich vrijwel niets. Weisz: „Ik kan alleen nog de binnenkant van die personentrein beschrijven. Tot in detail. Hoe ik het raampje opendeed, met een leren riem. In de riem zaten gaatjes, waar ik een koperen knopje doorheen drukte. Details, maar ze tonen aan hoe groot de schok is voor een zevenjarige jongen die plotseling alles kwijtraakt.”

Hij overleefde de oorlog als onderduiker. Later bereikte hem het bericht dat zijn vader was overleden aan longontsteking in concentratiekamp Mittelbau-Dora. „Een flauwekulbericht”, zegt hij. „Want een ooggetuige heeft me verteld hoe het werkelijk is gegaan.” De details zijn „te gruwelijk voor woorden”. „Maar als ik zeg dat mensen water van de muren likten om in leven te blijven, geeft dat misschien wel aan hoe erg het was.” De rest van het gezin werd waarschijnlijk in de nacht van 2 op 3 augustus 1944 vergast in Auschwitz. De zigeuners moesten ‘ruimte maken’ voor een groep Hongaarse joden.

Je kapot werken en nergens over praten. Dat was het credo van Zoni Weisz na de oorlog. Het leverde hem veel succes op, als eigenaar van een bloemen- en evenementenbedrijf. Maar onderhuids stapelden de spanningen zich op. Weisz kreeg last van flashbacks. Zocht contact met een psychiater. „Mijn vader was in mijn herinnering een jonge man”, legt hij uit. „Door de therapeutisch gesprekken is hij in één nacht oud geworden, tijdens een droom.”

Gaandeweg verdiepte Weisz zich meer in zijn verleden. Hij werd bestuurslid van het Auschwitz Comité en voerde de onderhandelingen voor Roma en Sinti bij de zogenoemde restitutiebetalingen, begin deze eeuw. Wat meespeelde, is dat zijn kinderen naar zijn verleden begonnen te informeren. „Waar ze mij aanvankelijk tegen mezelf in bescherming namen, wilden ze zo’n twintig jaar geleden plotseling weten wat er precies was gebeurd. Dat heeft mij dichter bij mezelf gebracht.”

Ruim een halve eeuw nadat Auschwitz door de Russen werd bevrijd, maakt Weisz zich grote zorgen over de positie van Roma en Sinti, waarvan er in Nederland zo’n 20.000 wonen. In Tsjechië waren ze tot voor kort aangewezen op het bijzonder onderwijs, in Hongarije worden hun huizen in brand gestoken. „Het stigma is groot”, zegt Weisz, die de ontwikkelingen op de voet volgt.

Zijn optreden in de Bondsdag beschouwt hij als een druppel op de gloeiende plaat. „Maar als we niet blijven druppelen, komt er nooit wat van terecht.”