Ook herdenken kan weer tot antisemitisme leiden

Miljoenen joden werden in de oorlog vermoord, maar dat leidt niet per se tot empathie. In een rechtvaardige wereld krijgt iedereen wat hij verdient.

Een stille tocht door de straten van Amsterdam. Het lezen van de kaddisj, het joodse gebed voor de doden. Het verhaal van een overlevende van de shoah. Op tal van plekken wordt in Nederland herdacht dat het concentratiekamp Auschwitz op 27 januari 1945 werd bevrijd.

De herdenking is bedoeld als een eerbetoon aan de slachtoffers, maar ook als les. Informatie over de verschrikkingen van de shoah moet volgens de organisatoren helpen bij de bestrijding van vooroordelen onder jongeren.

Werkt het altijd zo? „Nee, de confrontatie met het leed van de slachtoffers kan de vooroordelen ook versterken”, zegt de Duitse psycholoog Roland Imhoff. Dat concludeert hij uit een experimenteel onderzoek dat hij in 2009 deed met een collega van de universiteit van Bonn. Imhoff: „Onze bevindingen liggen zo gevoelig, dat de universiteit geen persbericht heeft uitgestuurd over het onderzoek.”

Bij het onderzoek moesten 62 studenten reageren op 29 stellingen, zoals ‘joden hebben te veel invloed op de publieke opinie’. Drie maanden later kregen zij de stellingen weer voorgelegd, maar nu nadat zij een tekst hadden gelezen over de misdrijven in Auschwitz. De helft van de studenten werd zogenaamd gekoppeld aan een leugendetector. Bij de groep zonder pseudo-elektroden kwamen minder vooroordelen over joden voor. Bij de groep aan de ‘leugendetector’ bleken de vooroordelen juist toegenomen.

De studie, gepubliceerd in het gezaghebbende tijdschrift Psychological Science, lijkt te bevestigen wat wetenschappers in Duitsland al lang vermoeden: de confrontatie met het lijden van de joden bezorgt niet-joden meer antisemitische gevoelens. Dat wordt ‘secundair antisemitisme’ genoemd, ter onderscheiding van het primair antisemitisme, de eeuwenoude jodenhaat. Vaak wordt daarbij de uitspraak van de Israëlische psychoanalyticus Zvi Rex aangehaald: „De Duitsers zullen de joden Auschwitz nooit vergeven.”

In dit citaat ligt ook de verklaring voor dit antisemitisme besloten: schuldgevoel. De verhalen van de slachtoffers houden de herinnering aan een beschamend verleden levend. Secundair antisemitisme heet in Duitsland dan ook wel ‘Schuldabwehr-Antisemitismus’, antisemitisme om het eigen schuldgevoel te verdringen.

Dat is een universeel menselijk mechanisme, zegt de Nederlandse psycholoog Bertjan Doosje, die veel onderzoek doet naar groepen en stereotypen: „Mensen willen geloven in een rechtvaardige wereld, waarin iedereen krijgt wat hij verdient. Een slachtoffer dat geen schuld heeft aan zijn eigen lijden, bedreigt dat wereldbeeld. Door slachtoffers medeverantwoordelijk te maken voor hun eigen lijden, ervaar je zelf minder schuld.”

Het is de vraag of het Duitse experiment in Nederland dezelfde resultaten zou opleveren. In Nederland lag het aantal antisemitische incidenten in 2009 en 2010 substantieel hoger dan in de jaren ervoor. Toch blijkt uit Europese onderzoeken keer op keer dat Nederlanders minder negatief denken over joden dan de meeste andere Europeanen. „Daar komt bij dat in Duitsland daders tegenover slachtoffers staan, terwijl in Nederland hooguit sprake is van medeplichtigen”, zegt Doosje.

Die medeplichtigheid slaat op het grote aantal Nederlandse joden dat is omgekomen tijdens de Tweede Wereldoorlog: 102.000 van de 140.000, percentueel veel meer dan in omringende landen. „Daarover zijn harde vragen te stellen”, vindt directeur Ronny Naftaniel van het Centrum Informatie en Documentatie Israel, dat het antisemitisme in kaart brengt. „Zoals: waarom telde Nederland zoveel Oostfrontstrijders?”

Het Nederlandse ongemak daarover verwerken sommigen op de „verkeerde manier”, zegt Naftaniel: „Ze kijken door een vergrootglas wat joden verkeerd doen, bijvoorbeeld in Israël, en trekken volledig misplaatste vergelijkingen met het naziregime.”

Dit soort Israëlkritiek is een karakteristieke verschijningsvorm van secundair antisemitisme, zegt Roland Imhoff. „Een lastig begrip”, vindt Naftaniel. „Voor mij is dit het aloude antisemitisme in de samenleving dat zich steeds aan nieuwe dingen vastklampt.”

Ook de teruggave van joodse eigendommen is een graadmeter voor het hedendaagse antisemitisme. In de jaren 90 ontspon zich na onthullingen over joodse bezittingen bij Zwitserse banken in Europa een discussie over meubels, verzekeringen, kunstwerken, effecten en banktegoeden die door de nazi’s zijn geroofd. De joodse gemeenschap in Nederland kreeg financiële compensatie, net als die in Duitsland.

In Duitsland leidde deze discussie tot meer secundair antisemitisme, zegt Imhoff: „Om hun eisen te rechtvaardigen, moesten de joodse slachtoffers aangeven nog altijd last te hebben van de shoah. Tegelijkertijd versterkte dat het antisemitisme bij de niet-joden.”

In Nederland gebeurde dat niet, zegt Naftaniel, die namens de joodse gemeenschap met de regering onderhandelde: „Maar ik voelde wel dat er grenzen waren aan wat we konden vragen. Om niet als hebberig over te komen, hebben we in sommige gevallen afgezien van compensatie.”

In hoeverre moet bij herdenkingen rekening worden gehouden met beeldvorming bij buitenstaanders? „Helemaal niet”, vindt Joël Cahen, directeur van het Joods Historisch Museum, de Portugese synagoge en de Hollandsche Schouwburg. Naftaniel is het daarmee eens: „Bij de meeste mensen zullen de verhalen van slachtoffers wel degelijk empathie opwekken.”

Om die empathie te helpen versterken, doet Imhoff vervolgonderzoek: „Het is bijvoorbeeld beter om persoonlijke geschiedenissen te vertellen dan meer abstracte verhalen vol cijfers. Dan kunnen mensen zich eerder identificeren met een individueel slachtoffer.”

Die individuele benadering is er al, zegt Cahen: „In de Hollandsche Schouwburg kan een bezoeker in het digitale monument persoonlijke geschiedenissen vinden van slachtoffers. De komende jaren zullen we alleen maar meer persoonlijke verhalen vertellen.” Maar de collectieve herdenkingen moeten ook blijven, vindt hij: „Dat is het moment om samen stil te staan bij het shoah.”