Onvervulde beloftes

Wiardi Beckman – die naam kwam ik voor ’t eerst tegen toen ik, als twintigjarig student, een boek in handen kreeg waarvan ene H. B. Wiardi Beckman de co-auteur was: Geschiedenis van het Leidsche studentencorps (1927). Wiardi Beckman een corpsbal? In elk geval was hij „bijzonder actief in het traditionele corps”, zo lees ik in het zojuist verschenen boek dat – zo staat het in de ondertitel – aan deze „baanbreker van de moderne sociaal-democratie” gewijd is (Onszelf blijven, uitg. Bert Bakker).

Inderdaad is Beckman, die slechts 41 jaar is geworden, bekend geworden als de man die de Sociaal-democratische Arbeiderspartij (SDAP) in de jaren 30 omvormde van half-marxistische partij, die de klassenstrijd voorstond, tot een moderne volkspartij, die ook open stond voor andere vooruitstrevenden. Daarom nam de partij ook afstand van haar pacifisme en afwijzing van het koninklijk huis.

In feite baande Beckman de weg voor de naoorlogse Partij van de Arbeid, die hij zelf echter niet zou meemaken, want hij stierf enkele weken vóór de bevrijding in het concentratiekamp Dachau. Dominee Banning en anderen zouden zijn werk voortzetten en streven naar de ‘doorbraak’, het doorbreken van het pantser waarin de confessionele partijen het politieke stelsel gevangen hielden (Beckman was zelf gelovig remonstrant).

Het is niet voor niets dat dit boek nu is uitgekomen, hoewel het ook bijna samenvalt met Beckmans 65-jarige sterfdag. De crisis waarin de PvdA zich thans bevindt, toont parallellen met de impasse waarin de SDAP in de jaren 30 terecht was gekomen. Ondanks de economische crisis, met haar massale werkloosheid, was de partij er niet in geslaagd door te breken. Integendeel: haar percentage van de stemmen daalde in de crisisjaren, tussen 1929 en 1937, van 23,6 naar 21,9. De grote winnaar bleef minister-president Colijn.

Ook nu teisteren, volgens de redacteuren Frans Becker (adjunct-directeur van de Wiardi Beckman Stichting, de denktank van de PvdA) en de socioloog Menno Hurenkamp, „onzekerheid over wat de achterban is, verdeeldheid over wat de natie te betekenen heeft en onvermogen om de democratie bij de tijd te brengen de progressieve beweging”. Beckmans bijdrage aan het politieke denken in Nederland is dus „urgenter dan ooit”.

Zou het? We doen niets af aan de inderdaad uitzonderlijke betekenis van de persoon Beckman en zijn werk wanneer we hier een vraagteken plaatsen. De tijden waren wel heel anders. In de eerste plaats was er 75 jaar geleden de dreiging van Hitler, die dwong tot een nationaal antwoord. In de tweede plaats bestond er toen nog een grote arbeidersklasse. Die heeft, voor zover zij nog bestaat, de PvdA grotendeels verlaten. Haar emancipatie, die zij veelal aan die partij te danken heeft, is niet in dankbaarheid omgezet. In de derde plaats: er waren geen allochtonen, die de partij, anders dan een groot deel van de bevolking, als zielig beschouwt.

Zou Beckman, als hij in leven was gebleven, zijn geslaagd waarin zijn naoorlogse opvolgers hebben gefaald? De ‘doorbraak’, waarvan hij de geestelijke vader was, is er toen niet gekomen. Bij de verkiezingen van 1946 werd niet de PvdA, maar de Katholieke Volkspartij de grootste. Pas twintig jaar na de oorlog leek de macht der confessionelen te wankelen, maar in de jaren 80 kwam zij terug. In 2002 bereikte de PvdA zelfs een dieptepunt: 15,1 procent van de stemmen, tegen het CDA 27,9. Acht jaar later is het weer omgekeerd, maar moet de PvdA nu in de VVD de grootste erkennen.

Het is dus de vraag of zelfs een man als Beckman in staat zou zijn geweest zijn partij om te vormen tot een rots die deze seculaire branding zou hebben doorstaan. Even leek het erop dat Job Cohen de Beckman van deze eeuw zou kunnen worden, maar tot dusver is deze belofte onvervuld gebleven. Een partij die zelf de koers bijster is, kan moeilijk de rol van voorhoede van alle linkse krachten vervullen.

Paul Scheffer acht het in een nawoord onwaarschijnlijk dat zo’n heroriëntatie nu wél zou lukken binnen de oude partijen. „De nieuwe breuklijnen in de samenleving brengen nu al andere partijen voort, die bijna de helft van de kiezers aan zich weten te binden. Het ligt in de verwachting dat op den duur een ontzuild partijenlandschap zal ontstaan zonder de klassieke volkspartijen.” Hoe hierin Beckmans voorbeeld nog actueel kan zijn, is onduidelijk.

Onszelf blijven luidt de titel van het aan Wiardi Beckman gewijde boek. Het is tevens de titel van een bijdrage die hij in september 1940 – vier maanden na de Duitse inval–- schreef voor een bundel, samen met de liberaal B. M. Telders (die ook in een concentratiekamp zou omkomen) en Paul Scholten (waarschijnlijk als vertegenwoordiger van de protestants-christelijke partijen).

Het kan bijna niet anders of Beckman dacht, toen hij zijn bijdrage die titel gaf, aan de woorden die koningin Wilhelmina bij de viering van haar 35-jarig jubileum in 1933 had gesproken: „Wij willen onszelf zijn en blijven.” Het was kennelijk een toespeling op het nationaal-socialisme dat in Duitsland net aan de macht was gekomen én op de velen die met gestrekt opgeheven rechterarm langs haar defileerden in het Olympisch stadion van Amsterdam. „Dit ziet de koningin niet graag”, zei een meneer naast mij op de tribune.