Hét schaatstalent van Nederland

Kjeld Nuis plaatste zich op het allerlaatste moment voor de WK sprint, en werd vijfde.

„Mensen zeggen ook wel eens: succes hè, met wereldkampioen worden.”

Kjeld Nuis (21) plaatste zich via een skate-off voor de WK sprint, afgelopen weekend in Heerenveen. Het was zijn eerste WK en hij werd knap vijfde, vlak achter Stefan Groothuis. Vanaf morgen doet hij in Moskou mee met de wereldbekerwedstrijden en daarna reist hij af naar Calgary en Salt Lake City. Praktisch elk weekend vindt er een belangrijk toernooi plaats, tussendoor is hij aan het reizen of trainen.

Het is maandag 24 januari twee uur ’s middags en in de auto van Heerenveen naar huis, in Zoeterwoude, kunnen we hem even telefonisch spreken. Handsfree.

Morgenochtend vliegt hij alweer naar Rusland met de Control-ploeg.

Kjeld Nuis werd geboren in Leiden en werd daar op z’n zevende lid van de ijsvereniging. Schaatsen kon hij toen al. „Mijn ouders gingen met mij rond Kerst altijd naar Giethoorn waar natuurijs lag. Op mijn zesde schaatste ik al tochten met ze.” Bij opa en oma keek hij vaak schaatswedstrijden op tv. „Ik was vier en wég van Rintje Ritsma. Voor de televisie deed ik zijn bewegingen na: handen op de rug en van het ene naar het andere been. Oma, vroeg ik dan, zullen we even een ‘klaar-voor-de-start’ doen? En dan heel de kamer door.”

Op de basisschool, op het vwo, hij wist: ik wil schaatser worden, niets anders. „En de beste van de wereld.”

Heel soms slaat zijn stem over, maar over het algemeen klinkt Nuis rustig en beheerst aan de telefoon. Zeer relativerend ook. Alsof hij al jaren interviews geeft. Terwijl hij pas drie jaar geleden Jong Oranje verliet en zich bij een commerciële ploeg aansloot. Misschien dat zijn coach Jac Orie ook op die houding doelde, toen hij zijn pupil prees om diens prestatie bij de skate-offs. Het was de laatste kans op een startbewijs voor de WK sprint: „Dan heb je een bepaalde mentale hardheid over je. Daar doen andere mensen jaren over en dan lukt het ze nog niet”, zei Orie.

Je coach complimenteert je publiekelijk en ook olympisch kampioen en ploeggenoot Mark Tuitert noemde jou onlangs „het grootste talent van Nederland”. Wat doet dat met je?

„Het geeft een supergoed gevoel. Dat zo iemand dat over je zegt. Ik voel de druk niet toenemen na zo’n uitspraak. Mensen zeggen ook wel eens: ‘succes hè, met wereldkampioen worden.’ Je moet in je zelf en in je coach blijven geloven. Als het minder gaat, worden er ook negatieve dingen geschreven en daar moet je ook niet naar luisteren. Je hebt er gewoon vrij weinig aan. Ik heb me dit WK nuchter gehouden en mede daardoor reed ik goede tijden. Als je gaat denken ‘ik ben zo goed’, dan helpt dat niet een goede prestatie neer te zetten. Aan de startlijn denk ik aan de race, wat ik moet doen, hoe ik de bocht in ga. Niet aan wat anderen over me zeggen.”

Waarom noemde Tuitert jou het grootste talent, denk je zelf?

„Sinds ik bij team Control zit, voelt het goed en gaat het goed. Ik vind Jac een supergoede trainer en ik voel me op mijn gemak. Ik rij het ene persoonlijk record na het andere. Maar behalve hard schaatsen ben ik ook erg enthousiast. Ik wil alles leren van mijn team. We willen met z’n allen naar een hoger niveau. Er is niet één topper waar de rest onder hangt, maar we versterken elkaar.”

Je hebt meer typeringen naar je hoofd gekregen: ‘rebel’, je hebt de ‘bravoure van een kampioen’, ‘heetgebakerd’.

„Wat zei je nou als tweede?”

Bravoure van een kampioen.

„Ha ha ha. Wanneer was dat?”

Dat was omdat je na je zege bij de skate-offs riep: ‘Een flink gat hè. En ik kan nog harder.’

„Het ging ook goed. Na die race zag ik voor mezelf wel een podiumplek bij de WK. En het had niet veel gescheeld op de 1.000 meter. Alleen die Koreaan hield me van het podium af. Daar zal dat ‘heetgebakerd’ ook wel vandaan komen. Soms laat ik me gaan. Als ik emotioneel word, ben ik extravert. Dan doe ik wat ik voel. Ben ik blij, dan juich ik. Ben ik boos, dan schop ik het liefste alles kort en klein. Ik voel me er prettig bij, ik ben het ook snel weer kwijt.

„En rebel is omdat ik van avontuur houd. Ik skate, snowboarden vind ik mooi. Ik zoek graag de grenzen op. Dat zit gewoon in me.”

Skaten en snowboarden, kom je daar nog aan toe?

„Nee, nu niet meer. Ik heb altijd geskatet, vooral inlineskaten. Dat deed ik best intensief. Met jongens uit de buurt hadden we een groep, een crew noem je dat, en daar was ik vaak mee op stap. Maar toen ik op mijn zeventiende bij Jong Oranje kwam, had ik er geen tijd meer voor.

„Nu heb ik te maken met een seizoen vol wedstrijden. Van oktober tot en met eind maart. April hebben we vrij en van mei tot en met oktober zijn de zomertrainingen. In die ene vrije maand gaan veel schaatsers met vakantie, ik ook. En dan kan ik ook naar dubstep-feesten. De sfeer is daar goed, het is altijd een knalfeest. Iedereen gaat helemaal op in de muziek. Zelf sta ik ook te springen.”

Wat vind je het moeilijkste van leven als een topsporter?

„Dat is voor mij toch echt wel rusten als je moet rusten. Ik kan niet goed stilzitten. Ik heb geen ADHD, maar ze noemen me weleens een ADHD-type. In de winter staat mijn kop gewoon naar het schaatsen, dan gaat het wel. Maar in de zomer ben je thuis en heb je twee trainingen op een dag. Tussendoor slaap je. Maar als vrienden bellen en vragen of ik meega naar het strand, doe ik dat wel. Ik moet leren daar nee tegen te zeggen.”

En je vrienden dan?

„Ik heb veel vrienden van het skaten overgehouden. Die hebben alleen maar respect voor wat ik doe en vinden het prachtig om me op tv te zien. Ze begrijpen het wel.”

Je vindt het moeilijk om rust te nemen.

„Het gaat allemaal niet vanzelf. Als topsporter leef je op het randje. Je bent kwetsbaar voor blessures omdat je de hele week zo’n arbeid levert. Een ongeluk zit in een klein hoekje.

Ik miste zelf eerder dit seizoen de NK Afstanden door een buikspier- en liesblessure, spieren die je aanspant bij het starten. En omdat ik dit NK miste, miste ik de eerste wedstrijden in de wereldbekercyclus. De planning die je aan het begin van het seizoen hebt gemaakt, moet worden aangepast. Het hele team, arts, coach, fysiotherapeut, stippelt uit wat er moet gebeuren.

„Je bent continu bezig je lichaam te ontdekken. Ik ben daar soms misschien nog te onvoorzichtig in. Het is belangrijk je rust te pakken. Ik schaats op het hoogste niveau, wat betekent dat alle faciliteiten binnen handbereik zijn. Die moet je als topsporter ook leren gebruiken. Na een zware trainingsperiode heeft de coach een rustperiode ingepland. Die discipline, om dan toch niet te gaan wandelen in de stad, moet je beheersen. Ik ben er nu heel serieus mee bezig.”

En nu Moskou. Wat verwacht je?

„Ik heb geen idee. Ik ben er nog niet echt mee bezig. De WK sprint is net achter de rug. Vrijdag begint het te kriebelen, denk ik. Die avond krijg ik pas de loting en weet ik tegen wie ik moet rijden op de 1.000 en 1.500 meter. Ik heb telkens al mijn focus nodig om me op zo’n weekend voor te bereiden.

„Uiteindelijk wil ik me plaatsen voor de WK Afstanden in Inzell, in maart. Maar dat lijkt nog zo ver weg. En nou ja, ooit wil ik natuurlijk goud halen op de Olympische Spelen. Dat is mijn droom.”