Gescheiden

Den zomernacht die hen zo diep ontroert

zal hij wellicht, zij nimmermeer vergeten;

hij was als zij: verwonderd en vervoerd,

zij niet als hij: gepijnigd en verbeten.

Een strelende arm die om een hals zich snoert

is wel een band, maar niet voor het geweten:

zij kunnen zalig zijn, van de aarde ontvoerd,

en verder nooit iets van elkander weten.

Maar eenmaal komt een zomernacht als deze

dat ze in een ster of in een vogelkreet

het uur herkennen dat geheel hun wezen

deed rillen van een bovenaards genot,

om te verkeren in 't onzegbaar leed

der eenzaamheid, dan zij zij rijp voor God.

Jan van Nijlen (1884-1965)