Er is iets grondig mis met het denken over veiligheid

De brand bij Chemie-Pack in Moerdijk had misschien voorkomen kunnen worden. Dat zegt de Adviesraad Gevaarlijke Stoffen.

Ze hebben onlangs bezoek gehad uit Moerdijk. Burgemeester en wethouders van de West-Brabantse gemeente wilden weten „wat er moet gebeuren” om een ramp zoals drie weken geleden bij het bedrijf Chemie-Pack in de toekomst te voorkomen. En inderdaad, zeggen voorzitter Jan Kerstens en secretaris Nico van Xanten van de Adviesraad Gevaarlijke Stoffen, dat is bij uitstek een taak voor ons. Van het Rijk hebben ze nog niets gehoord. Jan Kerstens: „Je zou verwachten dat het Rijk meteen bij ons komt informeren of hun eigen voorschriften goed zijn. Maar nee.”

De stilte tekent volgens hen de houding van het Rijk tegenover de veiligheid in het algemeen en de adviesraad in het bijzonder. Want de raad wordt met opheffing bedreigd. „Ons bestaan hangt aan een zijden draad. Een raad die weinig kost en écht onafhankelijk is”, aldus Kerstens, hoogleraar technische mechanica aan de TU Eindhoven. En het Rijk zelf is bezig de eigen projectdirectie externe veiligheid op te heffen die na de vuurwerkramp in Enschede (2001) in het leven was geroepen. Kerstens: „De overheid redeneert: we hebben regels gemaakt voor de veiligheid en we zijn klaar. Maar veiligheid is nooit af.”

Het is lastig te bewijzen dat de grote brand in Moerdijk niet zou zijn uitgebroken als het Rijk de adviezen van de raad ter harte had genomen. Kerstens: „Maar het zou heel goed kunnen.” Zo is er nog altijd geen landelijk expertisecentrum waar gemeenten terecht kunnen met vragen over vergunningen en toezicht op bedrijven met gevaarlijke stoffen die vallen onder het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO). Zoals Chemie-Pack in Moerdijk. „Een vorig kabinet besloot de ruimtelijke ordening grotendeels te decentraliseren. Het motto van toenmalig minister Dekker was: ‘Centraal wat moet, decentraal wat kan’. Maar als je de lagere overheden niet het gereedschap geeft om dat te doen, heeft dat beleid geen zin”, zegt Nico van Xanten, apotheker en toxicoloog.

Bij veel lagere overheden ontbreekt de kennis over gevaarlijke stoffen, al was het maar omdat die kennis voordurend verandert door innovaties. Van Xanten: „De enige dienst die het redelijk op orde heeft, is de DCMR voor de Rijnmond. Je zou die qua capaciteit kunnen verdubbelen, zodat die heel Nederland van informatie kan voorzien.”

Bovendien veronderstelt een gedegen veiligheidsbeleid ook kennis van terreinen die een gemeente lang niet allemaal in huis kan hebben: toxicologie en bestuursrecht, ruimtelijke ordening en risicoanalyse, proceschemie en werktuigbouwkunde. Kerstens: „Er is een continue stroom informatie. Er moeten mensen worden opgeleid. Vervolgens moet de overheid over die informatie in dialoog gaan met de bedrijven. Je kunt het niet overlaten aan een inspecteur die eens per jaar komt controleren of aan alle regeltjes is voldaan.”

Er is, vindt de adviesraad, iets fundamenteel mis met het denken over veiligheid. In plaats van bedrijven te verplichten een doel te halen om de veiligheid steeds te verbeteren, zijn deze gebonden aan gedetailleerde voorschriften. Kerstens: „Het kan heel goed zijn dat straks uit onderzoek blijkt dat Chemie-Pack alle lijstjes met voorschriften had afgevinkt. Zo zag de directeur van dat bedrijf er op televisie ook uit: geschrokken. Hij dacht kennelijk dat hij alles op orde had. Maar die lijstjes zeggen niet alles. Men denkt in Nederland: als we alles maar in details vastleggen, dan houden we de veiligheid in de klauwen. Dat is niet waar. Hou toch eens op met dat afvinken. Weg met die checklisten.”

Het is beter om te werken met een veiligheidsbeheersplan, zegt Van Xanten: „Daarin verplicht je bedrijven zelf voortdurend aan veiligheid te denken, met een systeem van checks and balances, zoals dat in de Angelsaksische cultuur al veel langer wordt gedaan.” Kerstens: „Het denken over veiligheid moet op directieniveau beginnen. Bij grote bedrijven als Shell is dat al zo. Die zeggen zelf: detailvoorschriften zijn niet voldoende. Als er op de Noordzee iets helemaal fout gaat door onveiligheid, wordt een directeur weggestuurd.”

Pregnant voorbeeld van de gebrekkige aanpak, aldus de raad, is de manier waarop het risico wordt berekend op een ongeval waarbij grotere aantallen doden vallen. Dit zogenoemde groepsrisico wordt berekend aan de hand van een gemiddelde voor heel Nederland. Kerstens: „Daar krijg ik maagpijn van.” Van Xanten: „Geen enkel LPG-station in Nederland is hetzelfde. Toch wordt het groepsrisico volgens één vast pakket berekend. Terwijl het risico op ongevallen grote verschillen vertoont, bijvoorbeeld door de ligging van zo’n station.” Kerstens: „Het is een pavlovreactie om regels te willen bevriezen. Ik begrijp die hang naar reductie van variantie wel. Maar het effect is dat je op 20,25 meter afstand wel mag bouwen maar op 20,20 meter niet. Dat begrijpt toch niemand?”

Leg, kortom, de verantwoordelijkheid voor veiligheid waar die het best kan worden waargemaakt. „Bij de bedrijven zelf”, zegt Kerstens. Van Xanten: „En niet bij de ambtenaar op de zesde verdieping die misschien één keer in een chloorfabriek is geweest. ”

En als veiligheid misschien wat meer kost, dan is dat maar zo. Bijna in koor gebruiken ze een onder veiligheidskundigen beroemd citaat: If you think safety is expensive, try having an accident.