Dinsdag zijn alle IP-adressen vergeven. De tijd dringt nu echt

Na twintig jaar treuzelen moeten bedrijven nu echt haast maken met het nieuwe internetprotocol IPv6.

Wie nu niets doet, krijgt later de gepeperde rekening.

Ergens halverwege volgende week, en naar alle waarschijnlijkheid komende dinsdag, is de wereldvoorraad IP-adressen op. Dan verdeelt de Internet Assigned Numbers Authority (zeg maar de wereldwijde voorraadschuur voor IP-adressen) de laatste pakketten uit aan regionale verdeelpunten.

Daarna kunnen we weliswaar nog even teren op die lokale voorraden. Maar ook die zullen opraken, naar verwachting binnen drie maanden tot een jaar. En dan kunnen nieuwe gebruikers niet meer op internet worden aangesloten zonder ingewikkelde trucs.

Het opraken van die IP-adressen is geen nieuws: het werd zo’n twintig jaar geleden al voorspeld. De adressen zijn nodig om computers, websites en mobieltjes uniek te kunnen nummeren en zo bereikbaar te maken. Elk adres bestaat uit een cijferreeks. Je kunt die reeksen vergelijken met postcodes of nummerborden. Op een goed moment zijn alle mogelijke cijfer- en lettercombinaties vergeven.

Gelukkig is er jaren geleden al een oplossing voor bedacht: een nieuwe versie van het internetprotocol zal de bestaande versie vervangen. Oftewel: het nieuwe internetprotocol versie 6 (IPv6) vervangt het huidige internetprotocol versie 4 (IPv4). En dan kunnen we weer jaren vooruit.

Voor die overstap zijn wel allerlei aanpassingen nodig. Het ministerie van Economische zaken is al sinds 2005 bezig om bedrijven duidelijk te maken dat de overstap nodig is. Ook de Europees Commissaris voor de digitale agenda Neelie Kroes noemt invoering van IPv6 essentieel. Je zou dus verwachten dat IPv6 intussen bij veel computer- en softwareleveranciers is geïmplementeerd. Maar dat is nauwelijks gebeurd. Op het belangrijkste internetknooppunt van Europa (AMS-IX) verloopt slechts ongeveer 1 procent van het totale internetverkeer via IPv6. Ook Nederland is er nog lang niet klaar voor, terwijl dat binnen een jaar noodzakelijk is.

Hoe valt die laksheid te verklaren? Allereerst omdat we jarenlang een noodoplossing hadden: een truc waardoor meerdere huisgenoten of collega’s met hun computers één IP-adres konden delen. In jargon heet dat Network Address Translation. Oftewel: ‘natten’. Zie het als een stekkerdoos die je aansluit op het stopcontact, waardoor je opeens vier stopcontacten heb (en op die vier stopcontacten kun je weer nieuwe stekkerdozen aansluiten).

Maar daar zit een grens aan. Op een gegeven moment gaat dat ‘natten’ ten koste van snelheid, betrouwbaarheid en bandbreedte. Om bepaalde online spelletjes te kunnen spelen, bijvoorbeeld, of om te kunnen Skypen, zul je steeds complexere trucs moeten toepassen. Internet wordt als het ware een wirwar van stekkerdozen. Dat terwijl netwerken al te complex zijn (met als gevolg bijvoorbeeld urenlange storingen bij Skype en andere bedrijven het afgelopen jaar). Invoering van IPv6 moet zorgen dat elke gebruiker als het ware zijn eigen stopcontact krijgt.

Een andere verklaringvoor de trage invoering is onze slechte ervaring met de millenniumbug. „Dat was ook zo’n hype”, zeggen critici. „En die liep ook met een sisser af.” Daarnaast wordt het adressentekort weleens vergeleken met de oliereserves: de olie zou ook opraken, maar er bleken steeds weer nieuwe voorraden te worden gevonden.

Het grote verschil is dat iedereen het er over eens is dat de huidige generatie IP-adressen binnenkort echt opraakt. En anders dan bij olie, kunnen nieuwe bronnen van IPv4-adressen niet worden aangeboord. De ‘stekkerdozentruc’ stelde het opraken van de adressen inderdaad ongeveer tien jaar uit. Maar het werkt nu niet meer.

Verder heb je nog het probleem dat de meeste providers (op XS4ALL na) IPv6 nog niet aanbieden: de klanten vragen er niet om. En de klanten vragen er niet om, omdat er te weinig websites op IPv6 actief zijn. Een klassiek kip-eiprobleem.

De belangrijkste oorzaak van de achterblijvende IPv6-invoering: IPv6 levert niet direct geld op. Dat wil zeggen, een bedrijf gaat er niet meteen meer door verdienen. Een lokaal netwerk dat IPv6 niet meteen naast IPv4 activeert, draait gewoon zonder problemen door. Vooralsnog.

Het is realistischer om de overstap naar IPv6 te zien als groot onderhoud van het internet. Niet direct zichtbaar, maar wel noodzakelijk.

Vergelijk het met de vervanging van de rioleringsbuizen, de afgelopen jaren. De overstap van gresbuis naar kunststof voegde niets functioneels toe, maar was wel noodzakelijk om het rioleringssysteem te laten blijven werken. En het mooie van IPv6 is dat de nieuwe ‘IPv6-buizen’ naast de bestaande ‘IPv4-buizen’ kunnen worden gelegd.

Bedrijven die te laat beginnen met voorbereidingen zullen straks, als het echt noodzakelijk is, extra hoge kosten krijgen. Nieuwe ICT-apparatuur die nu wordt gekocht gaat misschien wel drie of zelfs tien jaar mee en zal dus zeker de periode meemaken dat IPv6 noodzakelijk is. Wie nu apparaten koopt die niet geschikt zijn, zal de komende jaren onnodig hoge vervangingskosten voor zijn kiezen krijgen.

Zonder IPv6 wordt het internet een samenraapsel van lapmiddelen. De automatiseringsmanager die nu geen IPv6-beleid heeft, heeft vroeger of later iets uit te leggen.

Joost Tholhuijsen is voorzitter van de Stichting IPv6 Nederland