Brand Moerdijk werd schertsvertoning van miscommunicatie

Nu duidelijk is geworden dat de brand geen gevaar voor de volksgezondheid heeft opgeleverd, mogen de media zichzelf weleens wat vragen stellen, betoogt G.J. Mulder.

De brand bij Chemie-Pack in Moerdijk lijkt weer eens te hebben aangetoond dat de angst voor ‘chemische stoffen’ bij velen het verstand op nul zet. Dat minister Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) van een „ramp” sprak, droeg ongetwijfeld bij aan de slapeloze nachten van omwonenden. Dat was beslist onnodig.

Terugkijkend staat in elk geval één conclusie vast. De geruststellende boodschappen die vanaf het begin door de lokale overheid werden afgegeven – zij het met veel ruis, door de vaak defensieve houding van de onervaren ‘gezagsdragers’ – waren gewoon juist. Ook de acties die werden genomen op geleide van ervaringsdeskundigen waren volstrekt adequaat. Voor ondersteuning werd het RIVM ingeschakeld. Dat heeft expertise en apparatuur voor dit doel.

Bij Chemie-Pack was sprake van een grote brand die alles aan verbrandingsproducten meesleepte, hoog de lucht in. Dit leidde tot snelle en sterke verdunning. Omwonenden werden niet blootgesteld. Dat hun werd aangeraden om ramen en deuren te sluiten, was uit voorzorg – onder bepaalde weersomstandigheden zou de rook kunnen neerslaan.

Brandweerlieden en hulpverleners liepen het risico dat ze uden worden blootgesteld aan de rook, waarbij irritatie te verwachten viel. Dat gold zeker toen de brand werd geblust totdat een smeulende troep met laaghangende rook overbleef.

Daarna moest worden afgewacht wat er aan deeltjes zou neerslaan en of die gevaarlijke stoffen zouden bevatten, maar analyse kost nu eenmaal tijd (enkele dagen) en dus was niet onmiddellijk zekerheid te bieden – al was te verwachten dat door de grote verdunning een zeer beperkt risico zou bestaan. Achteraf is die inschatting volledig juist gebleken. Natuurlijk is de grond van het terrein van Chemie Pack sterk verontreinigd, maar dat wordt opgeruimd.

Waarom dan die paniekerige verslaggeving in veel media, onder leiding van het NOS Journaal? En kunnen bestuurders zich iets verwijten over de communicatie?

Autoriteiten worden tegenwoordig niet meer geloofd, ook het RIVM niet, ook al heeft dat een grote deskundigheid op dit gebied. Zoals bleek, had het RIVM vanaf het begin gelijk met zijn kalmerende verklaringen, maar het NOS Journaal zette meteen een paniektoon in.

Er zijn dan altijd deskundigen te vinden om die paniek aan te blazen. Zo vertelde hoogleraar Jacob de Boer, een analytisch chemicus die wel verstand heeft van milieuchemie, maar niet van risico’s bij branden of humane toxicologie, over de gevaren van kankerverwekkende stoffen die in de rook zouden zitten. De incidentele aanwezigheid van die stoffen is bij een ramp niet een echt probleem – een eenmalige blootstelling, zoals bij een brand, is volstrekt onvoldoende om kanker te veroorzaken. Dat vereist langdurige blootstelling, zoals bij roken. Bovendien zal dit pas vanaf een bepaalde minimumblootstelling optreden, zeker niet als mensen nauwelijks zijn blootgesteld aan de rook.

Bovendien heeft het twittercircuit de kans gegeven aan iedere ‘deskundige’ om het vuurtje op te stoken. Een discussie over de lijst met stoffen die door de overheid „geheim werd gehouden”, deed denken aan de Bijlmer-ramp, waar mensen informatie wilden over de stoffen uit het gecrashte vliegtuig. Een dergelijke lijst helpt op geen enkele wijze bij het inschatten van de gezondheidsgevaren bij een brand.

Kortom, hoewel de officiële beoordeling van de brand juist was, is door de oncontroleerbare, supersnelle communicatiekanalen een onbeheersbaar circuit op gang gekomen aan geruchten en verdachtmakingen. Enkele ter zake onkundigen hebben de indruk kunnen wekken dat er een groot gezondheidsprobleem was, met al die stoffen op de lijst als bewijs.

Moet de overheid zich iets verwijten over een gebrekkige communicatie? Niet wat betreft correcte voorlichting. Wel is gebleken dat de overheid duidelijk niet wasopgewassen tegen de agressieve benadering van veel journalisten en zodoende steken liet vallen. Het tegenwoordige communicatiecircuit is zo bliksemsnel dat het bijna onmogelijk werd om in de kakofonie van meningen nog een correcte boodschap door te geven.

Bovendien willen veel media graag meningen met een emotionele impact. Dan zoeken ze de deskundige vooral op basis van de nieuwswaarde. De omvangrijke loodverontreiniging die volgens milieuchemici Jacob de Boer en Lucas Reijnders tot het afgraven van de halve Mariapolder moest leiden, bleek een canard. Interviewtjes op het NOS Journaal met omwonenden die bezorgd en verontwaardigd waren, hebben een grotere nieuwswaarde dan de boodschap dat het gevaar niet bestaat. Ze kunnen behoorlijk wat schade aanrichten.

Niet alleen achteraf, maar ook in een vroeg stadium stelden ter zake kundigen dat van een ramp geen sprake was. Wanneer de media bij incidenten minder de onbetrouwbaarheid van de overheid als uitgangspunt zouden nemen, kan worden voorkomen dat velen in paniek raken. De brand bij Chemie-Pack is in sommige media verworden tot een schertsvertoning van miscommunicatie.

Als groot gevaar dreigt, moet de burger dat weten – alleen als het echt zo is.

G.J. Mulder is emeritus hoogleraar toxicologie, Universiteit Leiden. Hij was voorzitter van diverse commissies die gevaren van chemische stoffen evalueerden.