Als een appel met een stickertje erop

Prostitutie is mensenwerk, maar de overheid ziet alleen statistieken.

Het peespasje is als een label aan het oor van een koe. En werkt bovendien averechts.

Volgende week stemt de Tweede Kamer over de peespas. Ook wel ‘Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden in de seksbranche’ genoemd. Wordt deze wet aangenomen dan is elke prostituee verplicht een pasje bij haar te dragen waarop vermeld staat wat voor werk ze doet.

Een pasje met daarop haar echte naam (geen Roxy of Angel), een foto en daaronder het woord ‘sekswerker’. Op te halen bij de burgerlijke stand. Aan een speciaal daarvoor bestemd loket.

De ambtenaar voert een kort gesprekje met de dame in kwestie. Hij vraagt haar waarom ze dit werk doet en of er geen sprake is van dwang. Hij mag niemand een pasje weigeren, ook al is het antwoord ‘Omdat ik geen keuze heb’ en ‘Ja, absoluut!’. Bij een vermoeden van uitbuiting kan de ambtenaar alleen een aantekening maken. De uitbuiting staat in dat geval geregistreerd en is tenminste zichtbaar gemaakt.

Het is inmiddels een bekende reflex: veiligheid (in dit geval de bescherming van de weerlozen) wordt steeds vaker gelijkgesteld aan zichtbaarheid. Als we het maar kunnen zien, in de gaten kunnen houden, is het controleerbaar en beheersbaar, zo lijkt het idee. De schaduw moet worden verdreven, alles moet worden gezien. Wie niets verkeerd heeft gedaan, heeft ook niets te verbergen, toch?

Dat verlangen naar zichtbaarheid werkt in het geval van de peespas averechts. Vrouwen die dit werk namelijk vrijwillig doen, vrouwen die overdag een goede baan hebben of studeren, vrouwen die op zoek zijn naar spanning en avontuur en voor 300 euro per uur rijke zakenmannen in hun hotelkamer bezoeken, die vrouwen zullen onder geen beding zo’n pasje aanvragen. Voor hen is het risico te groot. Iemand zal ze maar aan dat speciale loket zien staan. Ze laten hun portemonnee rondslingeren, of hij wordt gestolen, en alle informatie ligt op straat. In dat geval zijn ze in veel gevallen niet alleen hun baan kwijt, maar ook een groot gedeelte van hun familie en vriendenkring.

Prostitutie is voor velen acceptabel zolang het om onbekende vrouwen gaat. Is het echter een dochter, nichtje of beste vriendin die haar lichaam verkoopt dan verandert de zaak.

Daartegenover staat de vrouw die wordt gedwongen, de vrouw die op de Wallen, in een Bijlmerflat of achter het station zes mannen afwerkt in drie uur. Zij zal vooraan in de rij staan. Wie wordt gedwongen tot seks, kan tenslotte ook wel worden gedwongen een pasje op te halen bij de burgerlijke stand. En aangezien het pasje niet mag worden geweigerd, krijgt ze het sowieso. Het is haar stempel van goedkeuring: vanaf dat moment is haar uitbuiting legaal.

Haar pooier reduceerde haar al tot enkel een lichaam, nu doet ook de overheid dat. Door haar een pasje te laten dragen waarop staat dat ze een sekswerker is. Niet minder, maar zeker ook niet meer. Ze is gelabeld, als een appel in de supermarkt. Van een merk voorzien als een paar schoenen of een tas. Wat haar gevoelens zijn, haar motivaties, doet er niet toe. Het gaat erom dat ze voor haar lichaam krijgt betaald. Ze is een object geworden, een product waarbij de overheid opereert als een marktkoopman die kopers toeschreeuwt: ‘Dit is goede waar!’

En zo belanden we met de peespas, als deze wordt ingevoerd, dus in een omgekeerde wereld: de vrouwen die dit werk vrijwillig doen verdwijnen de schaduw in, ze worden onzichtbaar en daarmee strafbaar, terwijl de uitgebuite, gedwongen vrouwen zichtbaar en legaal opereren. Zonder dat er ook maar enige garantie is dat er iets aan die uitbuiting wordt gedaan.

Toen Saban B. actief was op de Wallen hebben collega-raamexploitanten veelvuldig geklaagd. Hij behandelde zijn vrouwen niet goed, zeiden ze, er was sprake van dwang. Met die klachten is niets gedaan. Misschien omdat er te veel tijd werd besteed aan grootse plannen, vergezichten en aanpassingen van de wet. In het Amsterdamse 1012-project worden sekspanden geconfisqueerd en uitbaters uitgekocht, de gemeente handelt in onroerend goed. Maar het enige effect is dat de schaduw zich verplaatst. Dat is nu eenmaal het principe van een schaduw: ze verspringt zodra er licht op schijnt.

Vergeten lijkt te worden dat seks niet alleen consumptieve, exploitabele en economische arbeid is, maar allereerst vooral mensenwerk. Door alle betaalde seks als eenvormige, eenduidige arbeid te beschouwen, wordt voorbijgegaan aan de kern. De vrouwenhandel bijvoorbeeld is al lang geglobaliseerd: meisjes werken twee weken in Amsterdam of Rotterdam en worden dan verscheept naar München, Stockholm of Madrid. Wat heeft een lokaal initiatief als de peespas dan voor zin?

Wat de overheid steeds weer probeert is om de meerduidige werkelijkheid te reduceren tot data, eenduidige gegevens en statistieken die worden gedigitaliseerd, gearchiveerd en geïndexeerd. Maar de high class escort is niet dezelfde als een Poolse vrouw die onder valse voorwendselen achter een raam te werk is gesteld. Voor de een is de schaduw een zege, voor de ander een straf. Wat de overheid moet doen is werken op individueel niveau. Niet de dames op een grote hoop gooien met een zoeklicht erop. Geen label eraan hangen als aan het oor van een koe. Niet alles overlaten aan technologie. Tijd en aandacht is er nodig, en vooral: een gerichte, menselijke blik.

Marian Donner is schrijfster en telefoniste bij een escortbureau. Onlangs verscheen bij uitgeverij Prometheus haar tweede roman 'Lily’, over een meisje dat haar lichaam verkoopt.