Wat is poëzie? En zit het aan het einde van de mond?

Jan Lauwereyns: De smaak van het geluid van het hart. Poëziecentrum, 55 blz. € 2,50**

Zoals we Wereld Kankerdag kennen, de Week van de Klassieken en de Maand van de Mondgezondheid, is er ook de Landelijke Gedichtendag. De laatste jaren schreef een gerenommeerd dichter voor die gelegenheid een ‘gedichtendagessay’, waarin uitgelegd wordt waarom poëzie belangrijk is. Het is niet duidelijk waarom de poëzie verdedigd moet, want zij is er eenvoudig, honderdduizenden mensen schijnen gedichten te schrijven en bij mijn weten is zelfs dit kabinet niet van plan de dichtkunst af te schaffen. Maar over poëzie is het goed zwatelen, want hoewel iedereen weet wat gedichten zijn, is nog nooit iemand erin geslaagd een bevredigende definitie van het verschijnsel te geven.

Dit jaar viel de eer het verlossende essay te schrijven toe aan de Vlaamse, maar in Japan woonachtige dichter en hersenwetenschapper Jan Lauwereyns, die eerder naam maakte met een pretentieus, maar briljant boekje onder de titel Splash. Lyrische suite over biologie, ritueel en poëzie (2005). Van een dichter die zich in het dagelijks leven bezighoudt met de neurologische processen die ons denken en voelen sturen, mag verwacht worden dat hij een verrassende kijk op de productie en perceptie van poëzie heeft, en die verwachting maakte hij in Splash alleszins waar. Zijn gedichtendagessay heet De smaak van het geluid van het hart en zo moeizaam als dat klinkt, zo vaag en warrig is het betoog. In een kortademige stijl, met alinea’s die vaak slechts één zin behelzen, stelt Lauwereyns vragen, waarop vervolgens geen antwoord komt. ‘Waarom is poëzie bijzonder?’ ‘Wat is poëzie eigenlijk?’ ‘Zit poëzie aan het einde van de mond?’

Kern van zijn betoog is dat men in het leven moet streven naar zuivere harteloosheid, niet in de zin van ongevoeligheid voor wat zich in de wereld afspeelt, maar als ultieme vorm van zich openstellen voor alles en iedereen. Juist de poëzie zou een middel bieden om die staat van ik-loze ruimhartigheid deelachtig te worden. Gedichten zijn van taal gemaakt, maar wat hun essentie uitmaakt overstijgt de woorden. Door in te gaan op gedichten van onder anderen Keats en Achterberg komt hij tot zweverige voornemens als het volgende: ‘Ik wil de waarheden van het hart leren kennen, de schoonheid van het hart kunnen zien.’ Ik heb geen idee wat dat betekent.

Bijna de helft van het essay is gewijd aan de analyse van enkele Japanse lettertekens, fraaie ideogrammen die zijn samengesteld uit elementen die afzonderlijk een eigen betekenis dragen, maar in combinatie een nieuw begrip vormen. Zo is het teken voor ‘betekenis’ opgebouwd uit de elementen ‘geluid’, ‘hart’ en ‘smaak’, terwijl ‘smaak’ op zijn beurt een composiet uit ‘mond’ en ‘toekomstig’ is, en ‘geluid’ uit de tekens voor ‘stand’ en ‘zon’ bestaat. Vanzelfsprekend is het aardig om met deze begrippen te goochelen, maar Lauwereyns legt niet uit waarom we waarde zouden moeten hechten aan dit soort etymologische exercities, en bovendien levert het slechts clichés op van het type ‘Poëzie beweegt zich op [de] actieve grens tussen het zegbare en onzegbare.’ Als de poëzie verdedigd moet worden, dan liever door iemand die helder nadenkt.

Piet Gerbrandy