VS stuurden klimaatdebat via Nederland bij

Diplomatenpost

Amerikanen vinden dat Nederland meer praat dan doet inzake klimaat

De VS willen dat de wereld minder praat over broeikasgassen en meer over technologie. Ministers Eurlings en Van der Hoeven helpen. Collega Cramer niet.

Op 1 februari 2007 staat op de opiniepagina van de Volkskrant een artikel van de Amerikaanse ambassadeur Roland Arnall over klimaatverandering. Hij betoogt dat de Verenigde Staten en Europa allebei willen dat de uitstoot van broeikasgassen vermindert en dat er schonere technologieën en brandstoffen komen. „Allebei willen we onze bevolking de zekerheid geven van een constante aanvoer van energie”, aldus de ambassadeur. „En allebei willen we de effecten van menselijk handelen op het mondiale klimaatsysteem terugdringen.”

De VS voeren dan een publiciteitscampagne om het Nederlandse klimaatdebat te beïnvloeden, en via Nederland de Europese Unie. Dat blijkt uit de ambtsberichten van de Amerikaanse ambassade in Den Haag uit de periode 2000 tot 2010, die via de Noorse krant Aftenposten in het bezit zijn van NRC Handelsblad en RTL Nieuws.

Voor het energie- en klimaatbeleid van de Amerikaanse president George Bush is 2007 een cruciaal jaar. Zeven jaar heeft het geduurd voordat Bush in zijn State of the Union voor het eerst de woorden ‘climate change’ – klimaatverandering – gebruikt. „Amerika staat aan de vooravond van technologische doorbraken die ons in staat zullen stellen onze manier van leven minder afhankelijk te maken van olie”, houdt de president in januari 2007 zijn land voor. „Deze technologieën zullen ons helpen om betere beheerders van het milieu te worden.” En dan komt het hoge woord eruit: „en ze zullen ons helpen om het hoofd te bieden aan de serieuze uitdaging van wereldwijde klimaatverandering”.

De druk op de VS, dan nog ’s werelds grootste ‘klimaatvervuiler’, groeit. Het IPCC, het klimaatpanel van de Verenigde Naties, zal later dat jaar klimaatverandering ‘vrijwel zeker’ toeschrijven aan menselijk handelen. Maar Bush voelt niets voor de verplichte emissiereducties die de VN voorstellen en waar Europa op aandringt, zeker niet zolang opkomende economieën (en concurrenten) als China en India niet hetzelfde doen. Er wordt gezocht naar een alternatief en het toverwoord is: technologie.

De ambassade in Den Haag ontwikkelt vervolgens een strategie om het standpunt van Bush in Nederland uit te dragen. Op 21 maart 2007 schrijft ambassadeur Arnall in een bericht aan Washington over de eerste resultaten. De ambassade is bezig „het klimaatbeleid van de Nederlandse regering te sturen in de richting van de energie- en klimaatinitiatieven van president Bush”. Het doel is volgens Arnall ,,het debat een andere richting geven, moving it ‘beyond Kyoto’.” Met andere woorden, een technologische benadering van het klimaatbeleid moet de aandacht afleiden van het terugdringen van broeikasgassen.

De Nederlandse bevolking staat volgens de ambassadeur „sterk afwijzend” tegenover de Amerikaanse benadering van het Kyoto-protocol. Hij denkt dat dat het gevolg is „van de foute interpretatie dat de VS weinig doen omdat ze Kyoto niet hebben geratificeerd”.

Daarom heeft hij de wetenschapsattaché van de ambassade gevraagd om argumenten die houvast kunnen bieden in een debat „over Kyoto en vergelijkbare bindende verdragen die zich meer richten op emissiedoelstellingen dan op een technologische benadering die rekening houdt met economische groei, ontwikkeling en zorgen over energiezekerheid”.

Intussen houden de Amerikanen nauwlettend in de gaten welke bewindslieden ze kunnen ‘gebruiken’ om begrip te kweken voor hun visie. Ze noemen de „Amerika goed gezinde” minister van Verkeer Camiel Eurlings (CDA) en minister van Economische Zaken Maria van der Hoeven (CDA). Zij is in juli 2007 volgens een ambtsbericht „verbaasd” dat de VS weigeren mee te doen aan Kyoto, maar reageert begripvol als ambassadeur Arnall uitlegt dat de VS wachten op China.

Op de ambassade beseffen ze dat ze hun gesprekspartners beter kunnen zoeken op het ministerie van EZ dan bij VROM. Verschillende niet met name genoemde bronnen bij het ministerie van Buitenlandse Zaken klagen bij de Amerikanen dat zij regelmatig moeten bemiddelen tussen beide ministeries. ,,Een schisma”, schrijft ambassadeur James Culbertson op 30 september 2008 aan Washington, dat goed zichtbaar is in hetoptreden van de ministers Jacqueline Cramer (PvdA) en Van der Hoeven.

Uiteindelijk laat de Nederlandse regering haar aarzeling over het Amerikaanse beleid pas varen na het aantreden van president Obama. Premier Jan-Peter Balkenende (CDA) zal tijdens zijn bezoek aan Washington „het hernieuwde Amerikaanse leiderschap met betrekking tot klimaat” roemen, voorspelt zaakgelastigde Michael Gallagher op 6 juli 2009. Ook al hoopt de Nederlandse regering „voor de middellange termijn op een meer agressieve doelstelling voor emissiereductie van de VS”.

Dat Nederland zelf vasthoudt aan ambitieuze doelstellingen moet wel gerelativeerd worden, vinden ze op de ambassade: „Ondanks alle goede bedoelingen, gaat de retoriek van de Nederlanders veel verder dan hun daden.” De zaakgelastigde haalt VN-cijfers aan waaruit blijkt dat Nederland tussen 1990 en 2006 zijn CO2-uitstoot met niet meer dan 2 procent heeft gereduceerd, „zodat nog een steile helling beklommen moet worden om zijn ambitieuze 30 procent doelstelling in 2020 te halen”. De Nederlanders beseffen dat ook wel. Het ambtsbericht meldt: Sanne Kaasjager, topambtenaar voor klimaatbeleid bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, „wees erop dat Nederland stevig vasthoudt aan de 30 procent doelstelling omdat de leiders vrezen dat minder in eigen land zou kunnen leiden tot politiek verzet.”