Vertrouwd geluid in gedichten Campert

Remco Campert: Een oud geluid. De Bezige Bij/ Poetry International. 16 p. Gedichtendagbundel,€ 2,50. Op gedichtendag.com vanaf morgen een luisterversie, voorgelezen door Campert. ****

Een nieuwe Gedichtendag en een nieuw geluid: elk jaar verschijnt op Gedichtendag een kleine bundel in een grote oplage, met nieuw werk van een oude bekende. Dit jaar is het nieuwe geluid van Remco Campert: tien gedichten onder de stekelige titel Een oud geluid. De titel verwijst naar een oud liedje dat hij hier zingt: het oude liedje van verveling en geen zin, luiheid en lusteloosheid, die altijd maar weer komen opzetten. De titel verwijst ook naar de leeftijd van de dichter: hier horen we het geluid van een oude man, met zijn herinneringen, zijn twijfel en zijn wijsheden.

Maar een oud geluid betekent ook een vertrouwd geluid. De Campert van deze nieuwe gedichten verschilt niet zoveel van de Campert die we al kennen. Ook zestig jaar geleden was hij al een aarzelende en weemoedige toeschouwer, een verlegen romanticus wiens waarnemingen soms uitliepen in lyriek, soms in proza. Eigenlijk leek hij toen ook al meer op J.C. Bloem dan op de experimentele Lucebert.

Het bijzondere van Camperts poëzie is dat hij altijd wat terloops en onaf blijft klinken, alsof het ter plekke zo geformuleerd is en alles nog gewijzigd kan worden. De aanleiding is een toevallige ontmoeting in een restaurant, een foto, een herinnering, of wat onopvallende gedachten, door hemzelf ‘gemompel’ genoemd – alles heel eenvoudig en onversierd. Daarin dient zich dan vanzelf een zweem van een andere wereld aan. Dat kan een fantasie zijn over een leven boven de boomgrens, hoog en koud en verlaten, waar „een nevelsliert zich oplost/ in het strakke blauw”. Of over een grote reis, alleen begonnen, midden in de nacht, zonder te worden uitgezwaaid: jeugdherinnering, zwerversverlangen of een vooruitwijzing naar de dood?

In een ander gedicht neemt het de vorm aan van een vergadering met een ongeduldige voorzitter die de agenda goed in de gaten houdt. „Wilt u nu afronden?/ U overschrijdt uw tijd”. Dat moet God wel zijn, of de Dood. De dichter neemt toch het woord om nog één keer herinneringen op te halen aan die mooie donkerblauwe avond ooit, met zachte regen in het gouden lamplicht van de straatlantaarns, aan „hoe we samen lagen / en liefde [...] in tijdloosheid ons omhelsde”. Zijn spreektijd is al verstreken, maar dit tijdloze moment heeft hij nog net weten te redden – voordat de voorzitter de vergadering sluit.