Tweets over de dood gaan als een lopend vuurtje

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Deze week: de inbreuk van tweets en andere digitale berichten op ons denken.

Op de nextblog (12 januari 2011) stond onlangs een intrigerend bericht met als kop: ‘Hoe rectificeer je op Twitter?’ Het Amerikaanse Congreslid Gabrielle Giffords was ten onrechte door het persbureau Reuters doodverklaard: ‘FLASH: Congresswoman Giffords dies after being shot in the head at public appearance in Tucson, Arizona’. Giffords was niet dood, maar door het hoofd geschoten en in coma geraakt (inmiddels is ze weer van de beademingsapparatuur af).

Ten onrechte iemand dood verklaren op Twitter is al vaker gebeurd. Acrobaat Adriaan, van het duo Bassie & Adriaan was in maart 2010 overleden op Twitter. ‘Altijd blijven lachen’, reageerde de nog springlevende Adriaan olijk in de De Telegraaf. Vergissen is menselijk, maar waarom zo’n haast om de doodsklok zo snel te luiden? Ik opper een suggestie: omdat het ons het gevoel geeft urgent te leven.

In het prachtige korte essay ‘Lawaai en rumoer’ (1771) in Parerga en Paralipomena beklaagt Schopenhauer zich over de ongewenste geluiden die zijn leven binnendringen zonder dat hij erom heeft gevraagd. Hamerslagen, hondengeblaf, gesmijt met deuren en kindergeschreeuw; hij noemt al het lawaai ‘verschrikkelijk’. Het állerergste is het zweepgeknal van de koetsiers die voorbijkomen en hun paarden aansporen. „Lawaai is de meest impertinente van alle onderbrekingen, omdat het zelfs onze eigen gedachten breekt – ja, in stukken breekt.” Zweepgeknal stoort hem, zo niet honderden mensen in hun denken. „Ik zou wel eens willen weten hoeveel grote en mooie gedachten hun zwepen niet al de wereld uit hebben geknald.” Vervolgens legt Schopenhauer een verband tussen ‘beschaafde’ stilte en klasse: „Het kan geen kwaad de proletariërs erop attent te maken dat in de hogere klassen met het hoofd wordt gewerkt.”

Schopenhauer zou genoten hebben van deze tijd. Was stilte ooit het voorrecht van de aristocratie, nu is het bij iedereen heerlijk stil. Iedereen heeft zijn eigen huis, een eigen kamer en apparaten zijn steeds geluidlozer. Om onze gedachten tijdelijk te onderbreken, is er hooguit nog het geraas van auto’s en het geluid van machines die onze handen vrijmaken voor de hoofdarbeid: het zachte pruttelen van de koffiemachine, het korte centrifugeren van de wasmachine. Vooruitgang betekent dat alles steeds stiller wordt.

Het is zelfs zo stil geworden dat we, denk ik, gék worden van onze gedachten. En dus verlangen we weer naar de zweepknallen. Het lieflijke signaal van een nieuwe e-mail of de vrolijke ringtone van een telefoon, een tweet – kom maar door! We smeken: onderbreek mij! En als iemand iets belangrijks te melden heeft, zorgen we ervoor dat we een ‘alert’ krijgen.

Statusupdates, nieuwsberichten, de laatste roddeltjes, en ja, sterfgevallen. Ze komen als welkome zweepknallen binnen. Het is heerlijk druk in het verstrooide hoofd. Korte informatiestroompjes van nu.nl, teletekst, interviewtjes, blogjes. Leven in real time betekent urgent leven. Sociale media zijn daarbij extra prettig, want die snellen alvast vooruit op het echte leven. Vooral tweets over de dood gaan als een lopend vuurtje. Geen urgenter gevoel van leven dan bij een bericht over de dood: je voelt de harteklop, je adem en het lichaam reageren: er is iemand de dood – wie?! Die!

Een aantal mensen verlangt begrijpelijkerwijs weer naar rust in het hoofd. Ze proberen de klok terug te draaien. Of stil te zetten. Filosofe Joke Hermsen pleit in haar mooie boek Stil de tijd: Pleidooi voor een langzame toekomst (2009) voor zo’n tragere tijdsbeleving. En dat lukt alleen als je de technologie uit je leven bant. Haar betoog past in de trend van de Slow Movements, allemaal pogingen om ‘bewuster’ te leven en minder impulsief. Zelfs Paul de Leeuw – bepaald niet slow – stopte met twitteren. Mensen gingen met een ‘twibbatical’.

Zelf Twitter ik niet, om verdere urgentieverslaving (‘joehoe! Ik besta!’) te voorkomen en omdat ik al genoeg dagelijkse afleidende zweepknalletjes binnenkrijg via Facebook. Daar ging ik trouwens wel een tijdje over op Slow Facebooken. Eerst kwam dat neer op kwantiteit verminderen, zoiets als roken met mate, een paar keer per dag een trekje. Maar minder Facebooken is niet ‘meer genieten’. Ik nam mij ook voor om binnen afzienbare tijd offline te gaan, om te onderzoeken of het echte en rustige bezinnende leven weer binnen zou waaien. Ik was trouwens niet de enige met dit voornemen. Facebook-vriend Hassan berichtte in NRC Handelsblad dat hij zijn digitale leven zou stopzetten om aan het echte toe te komen. De volgende dag trof ik hem nog steeds aan en schreef ‘Uh, jij was toch klaar met dit sociale netwerk en ging toch tijd maken voor het echte leven?’ Natuurlijk volgde zijn reactie: ‘Haha, dit is het echte leven!’

Dat het ook mij maar mondjesmaat lukt om af te kicken van sociale media, komt niet alleen doordat het moeilijk is om afleiding op te geven, maar ook omdat het leven niet echter of dieper wordt als je stopt met je onlineleven.

De Canadese mediafilosoof Andrew Potter schrijft in The Authenticity Hoax (2010) in een hoofdstuk over Slow Movements dat dit in feite mislukte pogingen zijn om te ontsnappen aan digitalisering, onechtheid, mediatisering en commercialisering van het leven. Volgens Potter zitten we hiermee op een vals spoor. De suggestie wordt namelijk gewekt dat er ooit een ‘echt’ leven was, met echte intimiteit, echte gemeenschappen, echte vrienden, echte muziek, echte landschappen en echt eten, en dat dit alles nu weg zou zijn. Volgens hem is ‘authenticiteit’ echter een project dat ons al tweehonderdvijftig jaar bezighoudt en is het een manier geworden om over de wereld te praten, en bovenal een manier om te oordelen.

‘Echt’ en ‘onecht’ zijn geen feiten, maar waardeoordelen. Authenticiteit moeten we dan ook niet willen najagen. Het is zoiets als de pot met goud aan het eind van de regenboog willen pakken. We moeten het vooral beschouwen als een ideologisch concept dat tegenwoordig wordt ingezet tegen het ‘inauthentieke’ leven van de moderne wereld waarin individualisme en zelfontplooiing hoogtij vieren.

„There is no going back to reality just as there is no going back to virginity”, zo formuleert de mediafilosoof Thomas de Zengotita het in Mediated: How the Media Shape the World Around Us (2005). Eenmaal beland in de gedigitaliseerde wereld kun je beter het verschil tussen het ‘echte’ en het ‘onechte’ leven laten varen. Juist het verlangen van mensen naar ‘echtheid’ – en alle slow-bewegingen vallen daaronder – maakt dat duidelijk. De Zengotita biedt een formidabele lijst van verschillende soorten echtheid in zijn boek. Zo heb je de ‘the real real’. Dat is bijvoorbeeld als je van de trap valt. ‘The observed real’ is als je langs een autowrak rijdt en ook meteen de symboolfunctie herkent van wat daar ‘echt gebeurd is’; er is ‘the edited real’, zoals documentaires van mensen die niet weten dat ze gefilmd worden, ‘the staged real’, zoals bruiloften. Van het onechte leven maakt hij een soortgelijk overzicht. Zo is er ‘the real unreal’ (robopets) en ‘unreal real’: aardbeien die niet bevriezen omdat er genetisch materiaal van vissen inzit. Tweets vallen, denk ik, ogenschijnlijk in de categorie van the real real, alsof je twittert terwijl je van de trap valt. Ze zitten het echte leven op de hielen. Ze zijn echt en onecht tegelijkertijd.

CNN en Reuters, die het bericht over de dood van Giffords van BBC overnamen, verwijderden de onjuiste tweet over Gifford. Floeps weg. Het was even echt geweest en daarna niet meer. De BBC deed dat niet en corrigeerde later de tweet in een nieuwe tweet.

Ach ja. We zijn inmiddels toch al weer duizenden tweets verder, en we zijn allang weer een paar sterfgevalletjes – zweepknalletjes! – verder. Maar de ideeën van Andrew Potter ten spijt: in één opzicht verschilt het ‘echte’ leven toch van het digitale: we kunnen een echte dode via een tweet helaas nog niet weer echt tot leven wekken.