Statenverkiezingen zijn onrechtmatig

Het kabinet heeft verzuimd om de inwoners van Bonaire, Saba en Sint Eustatius indirect kiesrecht te geven voor de Eerste Kamer. De Statenverkiezingen schenden de Grondwet, stelt D.J. Elzinga.

Bij de Provinciale Statenverkiezingen van 2 maart aanstaande wordt beslist over het lot van het kabinet-Rutte in de Eerste Kamer. De toedeling van de laatste restzetel kan beslissen over de vraag of het kabinet wel of niet zal kunnen beschikken over een meerderheid. Een marge van enkele stemmen kan daarvoor doorslaggevend zijn.

In dit licht is het uiterst pijnlijk en ook onrechtmatig dat een groep van bijna tienduizend kiezers geen invloed heeft op de verkiezing van de Senaat. Sinds 10 oktober vorig jaar zijn de ongeveer 15.000 inwoners van de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) inwoners van Nederland. De drie eilanden zijn aan Nederland toegevoegd. Curaçao en Sint Maarten kregen de status van apart land.

De Nederlandse regering heeft bij hoog en bij laag beweerd dat de Nederlandse Grondwet geheel en in alle opzichten van toepassing is op de BES-burgers. Dat is van belang, omdat Nederlandse instellingen – waaronder de Eerste en de Tweede Kamer – het leven en het lot van de nieuwe, Caribische medeburgers verregaand meebepalen.

Omdat de regering vaart in het proces wilde houden en ondanks allerlei waarschuwingen niet op een grondwetsherziening wilde wachten, kon het indirecte kiesrecht voor de Eerste Kamer niet worden verleend aan de BES-burgers. Deze uitsluiting is niet alleen in strijd met onze eigen grondwet, maar ook met het gelijkheidsbeginsel uit internationale verdragen.

Die internationale verdragen hebben invloed. Onlangs heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen de Nederlandse wetgever al op een ander punt terechtgewezen. De uitsluiting van niet-Nederlanders bij de verkiezingen van de eilandsraden van de BES-eilanden, die ook worden gehouden op 2 maart, werd door het Hof ongedaan gemaakt. Ook deze uitsluiting verdraagt zich niet met het gelijkheidsbeginsel uit internationale verdragen.

De kans is aanzienlijk dat een vergelijkbare procedure wordt aangespannen voor de uitsluiting van de – getrapte – verkiezing van de Eerste Kamer. Omdat ook deze uitsluiting heel ver gaat, zal de rechter zonder twijfel ook die uitsluiting in strijd achten met het internationaal recht.

Een belangrijke vraag is of de BES-eilanden doorslaggevend zouden kunnen zijn voor de samenstelling van de Eerste Kamer. Het antwoord is bevestigend.

Op de BES-eilanden zullen nooit eigen kandidatenlijsten voor de Eerste Kamer worden ingediend, omdat deze op eigen kracht kansloos zijn. Dit betekent dat de Nederlandse politieke partijen ook voor de BES-eilanden lijsten zullen aanmelden om deze stemmen mee te kunnen nemen. Omdat bij deze verkiezingen elke stem telt, zouden zeker VVD, CDA en PVV hebben meegedaan in het Caribisch gebied.

Door het geringe inwonertal is de stem van de leden van de eilandsraden onder normale omstandigheden van bescheiden betekenis. Nu het erom spant, kan de stem van de leden van de eilandsraden in beginsel beslissen over het lot van het kabinet in de Eerste Kamer.

Na de verkiezingen voor de Provinciale Staten en de eilandsraden zijn de stemverhoudingen voor de Eerste Kamerverkiezing bekend. Mocht een restzetel over een meerderheid voor het kabinet beslissen, zou voor de BES-eilanden een daadwerkelijke mogelijkheid hebben bestaan om het dubbeltje te laten vallen naar de ene of naar de andere kant. Ook om die reden is de flagrante ongrondwettigheid van de uitsluiting een blamage van de eerste orde voor Nederland. Het is in de Nederlandse constitutionele geschiedenis niet eerder voorgekomen dat de Nederlandse regering beweerde grondwettig te handelen, terwijl het tegendeel daarvan zo opzichtig in het oog springt.

D.J. Elzinga is hoogleraar staatsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen.