Parlement debatteert op fluistertoon over de euro

In Nederland wordt verrassend weinig gepraat over de schuldencrisis in de eurozone. Met name politici wagen zich niet aan een openbaar debat.

De crisis in de euro confronteert politici met cruciale vragen: wat was het doel van de munt, de opbrengst, en hoe kunnen oorspronkelijke doelstellingen van de muntunie bereikt worden? Internationaal woedt het debat, maar in Nederland is het opmerkelijk stil. „Niemand met enige positie heeft er belang bij dat er in het openbaar over de euro wordt gediscussieerd”, zegt econoom Arjo Klamer van de Erasmus Universiteit.

In de Tweede Kamer wordt vooral gedebatteerd over de technische aspecten van een Europees noodfonds. Het parlement besloot gisteren voor het eerst in maanden weer een niet openbaar debat met de minister over de euro te gaan voeren. „Door de druk van de financiële markten is het moeilijk vrijuit te spreken”, zegt Tweede Kamerlid Ronald Plasterk (PvdA). „Een minister moet met een met haarlak opgespoten grijns vertellen dat het alleen maar goed gaat. Als hij dat niet zou doen, zouden wij hem daarover kritiseren.”

Maar als plan A niet werkt in de eurocrisis, wordt het dan niet tijd over plan B te gaan praten? Zelfs het conservatief-liberale weekblad The Economist durft sinds kort te suggereren dat schuldsanering voor zwakke eurolanden het vertrekpunt moet zijn voor Europa om uit de problemen te komen. Sterker, er zijn inmiddels nauwelijks nog economen te vinden die verwachten dat landen als Griekenland, Ierland en Portugal in staat zijn hun schulden volledig terug te betalen.

Maar in het politieke Umfeld liggen zulke analyses gevoelig. In de Tweede Kamer voltrekt de discussie over nieuwe steunoperaties zich volgens een vast stramien. Ja, het is jammer dat deze problemen zich voordoen, maar het niet verlenen van hulp aan lidstaten in problemen is geen optie. Dan is de stabiliteit van de euro in gevaar, en Nederland – die kleine, open exporteconomie – heeft veel profijt van de muntunie, met een minister van Financiën die vervolgens benadrukt dat de verstrekte noodhulp de Nederlandse belastingbetaler in principe geen geld kost. Het gaat hier immers om garanties of om leningen waar een fors rentetarief op wordt betaald. Maar wat als die hulpverlening niet effectief is?

Rick van der Ploeg, econoom en PvdA’er, verbaast zich over het gebrek aan debat. „Politici hebben te maken met een electoraat. Dat zegt: wij zijn niet bereid te betalen voor landen die er een potje van maken. Maar je zal toch ééns moeten zeggen dat het afstempelen van staatsobligaties of een ordentelijk faillissement van een bank soms nodig zal zijn. Maar daar is geen discussie over.”

SP en PVV, van oudsher eurosceptische partijen, steken in het openbaar verder hun nek uit en bespreken soms openlijk verschillende scenario’s. De voorstanders zijn veel voorzichtiger. Arjo Klamer, een tegenstander van de euro: „Als je praat met ambtenaren, vertellen ze eerst formeel wat een zegen die euro is. Maar ze erkennen op een bepaald moment wel dat er twijfels zijn. Er zijn wel tekenen dat ministeries met scenario’s bezig zijn voor als het fout afloopt. Maar dat is gissen, dat is staatsgeheim.”

De vrees leeft dat met de geleidelijke uitbreiding van Europese noodfondsen de sterke eurolanden de rekening voor zwakke landen betalen, zonder dat de perspectieven verbeteren. Of dat met deze aanpak gierende inflatie wordt geïntroduceerd.

In het regeerakkoord wordt met geen woord gerept van de toen al bestaande onrust in de eurozone en wat daar aan te doen. Minister-president Rutte en minister van Financiën De Jager komen in de media vooral met de boodschap dat zondaars met een begrotingstekort straf verdienen en dat regels strenger moeten zijn. Overigens met brede steun van de Kamer.

Rick van der Ploeg noemt macro-economische onevenwichtigheden een veel grotere zorg. Hij zegt dat de grote kapitaalstroom uit landen als Duitsland en Nederland de vastgoedhausse in Spanje mede mogelijk heeft gemaakt. „Spanje en Portugal zijn een probleem en wellicht ook België, maar ook Nederland. Je moet economisch voorzichtig zijn en dat geldt niet voor de Nederlandse huizenmarkt met de grote hypotheekschuld. Je moet als minister kunnen zeggen dat je in sommige gevallen boven je stand leeft met een huis van 6 ton aflossingsvrij. ”

In Duitsland wordt de discussie over de euro breder gevoerd. Er is ook meer aandacht voor de grote gedachte achter de Europese eenwording. Klamer: „In Duitsland is het debat altijd principiëler gevoerd. Destijds kreeg Kohl veel kritiek dat hij de mark had weggegeven.”

In Nederland is het volgens hem taboe om kritisch te zijn. „Dat gaat ten koste van je reputatie. Het kan een reden zijn om iemand niet te vragen, als gast in een televisieprogramma, voor een werkgroep in een ministerie of een SER-lidmaatschap.”