Lauwereyns zwatelt over schoonheid

‘De smaak van het geluid van het hart’. Gedichtendagessay van Jan Lauwereyns. In de winkel (€2,50) of via poeziecentrum.be **

Zoals we Wereld Kankerdag kennen, de Week van de Klassieken en de Maand van de Mondgezondheid, geldt de laatste donderdag van januari als Landelijke Gedichtendag. De laatste jaren werd voor die gelegenheid steeds een ‘gedichtendagessay’ geschreven, waarin een dichter mag uitleggen waarom poëzie zo belangrijk is. Het is niet duidelijk waarom de poëzie verdedigd moet worden, want zij is er eenvoudig, honderdduizenden mensen schijnen gedichten te schrijven en zelfs dit kabinet is niet van plan de dichtkunst af te schaffen. Maar over poëzie is het goed zwatelen, want hoewel iedereen weet wat gedichten zijn, is nog nooit iemand erin geslaagd een bevredigende definitie van het verschijnsel te geven.

Dit jaar viel de eer het verlossende essay te schrijven toe aan de Vlaamse, maar in Japan woonachtige dichter en hersenwetenschapper Jan Lauwereyns, die eerder naam maakte met een pretentieus, maar briljant boekje onder de titel Splash. Lyrische suite over biologie, ritueel en poëzie (2005). Van een dichter die zich in het dagelijks leven bezighoudt met de neurologische processen die ons denken en voelen sturen, mag verwacht worden dat hij een verrassende kijk op de productie en perceptie van poëzie heeft, en die verwachting maakte hij in Splash alleszins waar. Zijn gedichtendagessay heet De smaak van het geluid van het hart, en zo moeizaam als dat klinkt, zo vaag en warrig is het betoog. In een kortademige stijl, met alinea’s die vaak niet meer dan één zin behelzen, stelt Lauwereyns voornamelijk vragen, waarop vervolgens geen antwoord komt. „Waarom is poëzie bijzonder?” „Wat is poëzie eigenlijk?” „Zit poëzie aan het einde van de mond?”

Kern van zijn betoog is de stelling dat men in het leven zou moeten streven naar zuivere harteloosheid, maar dan niet in de zin van ongevoeligheid voor wat zich in de wereld afspeelt, maar, integendeel, als ultieme vorm van zich openstellen voor alles en iedereen. Juist de poëzie zou een middel bieden om die staat van ikloze ruimhartigheid deelachtig te worden. Weliswaar zijn gedichten van taal gemaakt, maar hun essentie uitoverstijgt de woorden. Door in te gaan op gedichten van John Keats en Gerrit Achterberg, komt hij tot zweverige voornemens als: „Ik wil de waarheden van het hart leren kennen, de schoonheid van het hart kunnen zien.” Ik heb geen idee wat dat betekent.

Als de poëzie verdedigd moet worden, dan liever door iemand die helder nadenkt.