In 1940 wonnen de Duitsers ook de beeldenoorlog in de bioscoop

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog bestond er in Duitsland en Groot-Britannië al wel televisie, maar die verkeerde nog in een experimenteel stadium en speelde geen rol als massamedium. Bewegende nieuwsbeelden waren voorbehouden aan de wekelijkse bioscoopjournaals. Die bedreven alle geraffineerde vormen van propaganda.

Canvas zond in twee delen een fascinerende recente compilatie uit van Britse, Franse en Duitse journaalfragmenten uit de periode september 1939 tot juli 1940. De oorspronkelijk voor Arte samengestelde archiefproductie van Jean-Christophe Rosé werd gepresenteerd onder de Engelse titel 39/40 The War through a Lens, maar de originele Franse titel is scherper: 39/40 La guerre des images.

Rosé snijdt in hoog tempo, maar wel chronologisch heen en weer tussen schitterend materiaal van British Movietone, Pathé, Eclair en de Wochenschau van de UFA. Het gaat daarbij niet alleen om beelden van directe krijgshandelingen of voorbereidingen daartoe. Tijdens de periode van ‘the phony war’ of ‘la drôle de guerre’ viel daar ook nog weinig van te zien. Er werd wel eens een dierentuin ontruimd of geoefend voor een luchtalarm en Maurice Chevalier leverde zijn auto in voor de oorlogsinspanning. Voor het grootste deel ging het tot aan het voorjaar van 1940 vooral om mobilisatie en troepenbewegingen. Het meest fotogeniek was de Fins-Russische oorlog, met de snel geïmiteerde witte camouflagejassen in de sneeuw.

Het belangrijkste was om de respectievelijke bevolkingen psychologisch voor te bereiden op wat onvermijdelijk leek. De strategieën en de specifieke kwaliteiten van de journaals verschilden per mogendheid.

De Britse filmers maken de indruk, als het eenmaal zover is, het meest bedreven te zijn in dynamische actiescènes, zoals van de marineslag om Narvik. Ook kunnen zij goed aansluiten bij de al spontaan in zang en dans vertaalde golven van patriottisme. Uit volle borst wordt Land of Hope and Glory met Gracie Fields meegezongen, George Formby speelt tussen de manschappen ukelele en in een bizarre vorm van line dancing wordt de was vast opgehangen aan de Siegfriedlijn.

De Fransen zijn het best in het observeren van alledaagse taferelen, bijna alsof het een antropologische documentaire betreft. Er wordt wijn geoogst in de Elzas, Pasen gevierd in Frans Syrië en een soldaat-schaapherder vervult zijn plichten van dat moment.

Net als door de anderen wordt wel eens beeldmateriaal gebruikt van een andere plaats en tijd, tot aan de Eerste Wereldoorlog toe.

Maar de echte winnaars van de beeldenoorlog zijn de propagandafilmers van Goebbels. Zij vertellen uitgekiende verhalen die tot identificatie uitnodigen. Op de verjaardag van de Führer komen burgers spontaan hun tafelzilver aanbieden ter omsmelting en Hitler zelf is ook niets menselijks vreemd. Beelden van Franse krijgsgevangenen uit vele werelddelen worden racistisch uitgebuit als afschrikwekkend „bont allegaartje”.

Het waren de hoogtijdagen van de monopolistische visuele manipulatie van de publieke opinie.