Het uitgehongerde beest van Obama

Als het aan president Obama ligt, dan gaat de omvang van de Amerikaanse overheid terug naar het formaat onder zijn verre voorganger Eisenhower. Obama’s voornemen, dat hij afgelopen nacht bekendmaakte in zijn State of the Union, is een verregaande concessie aan zijn Republikeinse tegenstanders. Maar waarom wil de Democraat Obama terug naar een Republikeinse voorganger uit de jaren vijftig?

Daarvoor moeten we even terug naar een in Europa nogal onderbelichte, maar in de VS lange tijd buitengewoon invloedrijke opinieleider, met de naam Grover Norquist. Starve the beast, dat was de strijdkreet waarmee deze Amerikaanse conservatief, voorzitter van de lobbygroep Americans for Tax Reform, de Amerikaanse staat vanaf de jaren negentig te lijf ging. Het beest, de overheid, moest worden uitgehongerd. Norquist was vooral onder Bush het symbool van de anti-overheidslobby, voordat de Tea Party die rol claimde.

Nu zou je denken dat de staat in acht jaar Bush alleen maar groter werd. Dat is ook zo. In 2000, het laatste jaar van Bill Clinton, bedroegen de overheidsuitgaven 32,9 procent van het bbp. Bush zat vooral dankzij Afghanistan en Irak al op 36,8 procent in 2007. Dat was nog voor de kredietcrisis. Een jaar en wat steunoperaties later was dat 39 procent, en Obama moest van start met overheidsuitgaven van 42,2 procent in 2009.

Maar de staat werd ook kleiner onder Bush, als je naar de inkomsten kijkt. In het laatste jaar van Clinton bedroegen de overheidsinkomsten, voornamelijk uit belastingen, 35,4 procent van het bbp. Bush zat in 2007, na een serie belastingverlagingen, op 33,9. In 2008 was dat 32,6 procent en Obama moest het in zijn eerste jaar doen met 30,9 procent.

De staat werd dus tegelijkertijd groter én kleiner onder Bush. Het verschil wordt uiteraard verklaard door een begrotingstekort. En daar komt Norquist op het toneel.

Het uithongeren van het beest gaat als volgt: je verlaagt de belastingen, ook als dat eigenlijk helemaal niet kan. Daardoor ontstaat er een begrotingstekort. Het Amerikaanse publiek krijgt vervolgens elke twee jaar, bij presidents- en/of Congresverkiezingen, een strijd voorgelegd waarbij de kandidaten politieke zelfmoord plegen als zij ook maar een hint geven dat zij de belastingen zouden kunnen verhogen. En dus zitten er vervolgens maar twee dingen op: ofwel de overheidsbestedingen terugdringen, ofwel het begrotingstekort verder laten oplopen, of een combinatie van deze twee – eventueel aangevuld met nóg een onverantwoorde belastingverlaging die een volgende besparingsronde onvermijdelijk maakt.

Dit is de geschiedenis van de afgelopen tien jaar. Norquists strategie was, zoals hij het zelf zei, ‘om de staat zodanig te verkleinen dat hij uiteindelijk in het bad paste, waarna je hem door het putje kon laten weglopen’.

Dat blijkt. Zelfs Obama is het vorige maand niet gelukt om Bush’ belastingverlaging voor de allerrijksten ongedaan te maken. Stel nu dat hij en zijn opvolgers het begrotingstekort van zo’n 9 procent door keiharde bezuinigingen weten terug te dringen naar nul. Dan ligt het aandeel van de overheidsbestedingen rond de 32 procent. En dat is het laagste sinds de jaren zestig. Nog een procentpunt of 4 er af en Eisenhower komt in zicht. Met de vergrijzingskosten in aantocht en een groeiende uitdaging voor Amerika’s militaire dominantie in de wereld moet Europa er niet vanuit gaan dat het magere beest straks ook voor ons vecht.

Maarten Schinkel