Goede relatie botst met gerechtigheid

Mensenrechten bepleiten, maar ook omstreden gasten ontvangen. Buitenlandse Zaken worstelt. Een memo toont een zoektocht naar de grenzen van de wet.

De Indonesische president Yudhoyono moet oktober vorig jaar hebben geweten dat een juridische procedure tegen hem kansloos was. Hij zou Nederland bezoeken en de RMS, de Zuid-Molukse regering in ballingschap, had zijn aanhouding gevraagd wegens moord en zware mishandeling. Een maand later verzocht de RMS om aanhouding van de Indonesische minister van Buitenlandse Zaken Wirajuda.

De zaken brachten de Nederlandse regering in moeilijkheden. Voor een goede verhouding tussen staten is het belangrijk dat regeringsleiders probleemloos kunnen worden ontvangen. Minister Uri Rosenthal van Buitenlandse Zaken (VVD) liet daarom uitzoeken wat hij kon doen om voortaan „buitenlandse gasten te kunnen ontvangen zonder dat zij hoeven te vrezen voor juridische acties”. In een geheim memo dat KRO Reporter vandaag publiceert, is te zien hoe het ministerie daarbij de grenzen van de wet opzoekt.

„Elke optie brengt publicitaire risico’s met zich mee”, waarschuwt de dienst juridische zaken in het advies. Nederland maakt zich namelijk sterk voor de berechting van van internationale misdaden en kan procedures alleen al daarom niet tegenhouden.

De mogelijkheden „om onwenselijke situaties, als recentelijk t.a.v. RMS te voorkomen zijn beperkt”, staat in de memo. Maar de minister kan wel „korte lijnen” onderhouden met het Openbaar Ministerie (OM), om te peilen of een buitenlandse overheidsfunctionaris zal worden vervolgd en om te adviseren over immuniteit. „Hier is een duidelijke adviesrol weggelegd voor BZ”, staat er. En: „Er is bij gelegenheid overigens ook ongevraagd geadviseerd door BZ.” Wat Wirajuda betreft, had het OM al laten weten „niet voornemens te zijn iets met de zaak te doen”.

Ook kan de staat als procespartij „proberen om de timing van proces en uitspraak zodanig te beïnvloeden dat deze politiek zo weinig mogelijk hinder veroorzaken.” Hoe? „Dit kan d.m.v. contact met betrokken rechtbank en griffie, alsook door een verzoek aan de behandelend rechter om uitstel.” Andere opties zijn: de „ontvankelijkheid van een wederpartij (zoals bijv. de zgn. RMS) betwisten”, of een tuchtrechtelijke klacht tegen de wederpartij indienen.

Volgens advocaat Liesbeth Zegveld laat de memo de ongelijkheid zien van partijen in zo’n procedure. „Als je dit leest denk je: slachtoffer, vergeet het maar.” Zegveld vroeg in 2008 om de arrestatie van de Israëlische minister en oud-hoofd van de veiligheidsdienst Ayalon. Hij zou een Palestijn hebben gefolterd. De zaak werd volgens haar vertraagd. Op vrijdagochtend diende ze de papieren in bij het OM. De minister zou vijf dagen in Nederland verblijven. Op dinsdag vertrok hij. Op woensdag liet het OM weten dat de man niet immuun was en dus vervolgd had kunnen worden.

„Nederland wil de kleine vissen vervolgen en de grote buiten schot houden”, vermoedt Zegveld, ook hoogleraar internationaal humanitair recht in Leiden. Ze zegt dat het wenselijk kan zijn dat een staatshoofd of minister naar Nederland komt en immuniteit krijgt. Als de regels maar duidelijk zijn. „Dit is geen eerlijke procesvoering. De staat moet het goede voorbeeld geven.”

Menno Kamminga, hoogleraar internationaal recht in Maastricht, noemt de grenzen van de wet niet duidelijk. „Het is een terrein van het recht dat in beweging is. Traditioneel is het belang van immuniteit van staatslieden groot. Maar je ziet een opkomend belang van het bestrijden van straffeloosheid. Er komt steeds meer aandacht voor het beschermen van de rechten van individuen, in plaats van het beschermen van staatsbelangen.”

Kamminga is ook voorzitter van de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV), een onafhankelijk adviesorgaan dat de regering adviseert over internationaal recht. De commissie brengt binnen enkele weken advies uit over de immuniteit van staatshoofden en ministers. Als de minister het advies overneemt, wordt dit verwerkt in de richtlijn van het OM over vervolging van buitenlandse staatshoofden en ministers in Nederland.

Kamminga zegt dat vooral over de immuniteit van ex-staatshoofden en -ministers onduidelijkheid is. Volgens het traditionele internationale recht zijn zij blijvend immuun voor een nationale, buitenlandse rechter. „Die situatie is echter aan het veranderen. Immuniteit is voor een staatshoofd of minister nodig om zijn functie goed te kunnen uitoefenen. Ik vind dat daarom staatshoofden alleen immuun moeten zijn voor een buitenlandse nationale rechter zolang ze in functie zijn.”

De memo geeft volgens hem geen antwoord op het dilemma waarvoor het ministerie eind vorig jaar stond. Iedereen had kunnen weten dat de zaak geen kans zou maken. En toch kwam de president niet. Daar doe je niets tegen. Het advies in de memo om een wet te ontwikkelen die het de staat mogelijk maakt immuniteit te verlenen, noemt Kamminga „merkwaardig”. „Nederland heeft de verplichting internationale misdrijven aan te pakken. Het is illusoir om te onderzoeken of je daar onderuit kan.”

Lees de memo van Buitenlandse Zaken: reporter.kro.nl/