Gedichtendag is verworden tot een farce

Stop met deze eendaagse poëzievloedgolf, want dichten kan bijna niemand, betoogt Chrétien Breukers.

De laatste donderdag van januari, morgen dus, is de enige dag in het jaar waarop alle Nederlandstalige dichters tegelijkertijd aan het werk zijn. Ze verspreiden zich als een schimmel over het land. Het is dan Gedichtendag, in Nederland en Vlaanderen.

Mocht u morgen in een boekhandel, café, wijkbureau, school, ziekenhuis of gewoon op straat moeten zijn, heeft u een grote kans dat u een dichter hoort voordragen.

Van beroemd tot totaal onbekend, van professioneel tot amateuristisch, iedereen die weleens drie of meer zinnen onder elkaar heeft gezet, zwermt uit – van Den Helder tot Breskens, van Knokke tot Tongeren en van Delfzijl tot Eijsden. Overal brengen dichters de blijde boodschap, die van de poëzie.

Waarom? Hierom, volgens de organisatie: „Poetry International en Stichting Lezen Vlaanderen willen door middel van het initiëren van Gedichtendag, ditmaal voor de twaalfde keer, zoveel mogelijk mensen aanzetten tot het lezen en/of schrijven van gedichten.”

Dat klinkt natuurlijk sympathiek. In zekere zin is het dat ook, maar...

Deel één van de missie is te vatten. In Nederland wordt weinig poëzie gelezen, te oordelen naar de verkoopcijfers van losse bundels. Dat je mensen wilt aanzetten tot het lezen – en kopen, bij voorkeur – van gedichten(bundels), is billijk. Over die verkoopcijfers kan ik uit mijn eigen praktijk, als poëzie-uitgever, een minder vrolijk boekje open doen. Van de iets meer dan vijftig bundels die ik heb uitgegeven, blijft de helft steken onder de 150 verkochte exemplaren. Ik weet zeker dat dit beeld bij alle uitgevers hetzelfde zal blijken te zijn.

Deel twee van de missie is discutabel. Je kunt je afvragen of dat „aanzetten tot het schrijven van gedichten” de bedoeling moet zijn. De meeste bundels die mij in mijn hoedanigheid van uitgever worden toegestuurd, hadden beter ongeschreven kunnen blijven. De inzenders hadden beter kunnen worden aangezet tot het doen van iets anders. Tuinieren. Postzegels verzamelen. Verre reizen maken. Poëzie lezen, desnoods. Poëzie schrijven: nee.

Nog even en heel Nederland schrijft gedichten, daartoe opgehitst door de organisatie van de Gedichtendag, of door de organisatie van de Turing Nationale Gedichtenprijs, die deels wordt bestierd door hetzelfde ‘veld’. Voor deze prijs zijn de inzendingen anoniem. Van de bijna tienduizend inzendingen is het merendeel van een bedroevend peil. Het idee was vorig jaar nieuw en fris. Nu zie je de verflauwing toeslaan. Het merendeel van de dichters die de tophonderd halen, is totaal onbekend. De prijs bood hun, heel even en onterecht, het idee dat de Parnassus lonkte.

Het is een samenzwering, zou ik denken als ik achterdochtig was.

Om weer tot een normale situatie te komen, pleit ik voor een moratorium op Gedichtendag – minstens vijf jaar geen Gedichtendag en geen promotie voor het schrijven van gedichten. Gedichtendag is juist door de positieve missie verworden tot een poëzievloedgolf, die één dag over het land trekt. Het lijkt wel een voorronde voor The voice of Holland of Popstars, met Gerrit Komrij in de rol van sjamaan of opperjurylid – een sympathieke variant op Henkjan Smits of VanVelzen.

Wat ‘promotie’ voor ‘de poëzie’ moet zijn, is een dichter in de trein – weer eens wat anders dan een zwerver die zingt, geef ik toe – of de stadsdichter van Deventer die het bibliotheekpersoneel lastigvalt met zijn verzen.

Na die ene dag trekt de golf zich terug. Iedereen gaat verder, met het schrijven van middelmatige gedichten, die allemaal, ooit, worden gezonden aan mij of een van mijn collega’s, mensen die het ook niet kunnen helpen en tegen een burn-out aan zitten. Al die bundels worden nog steeds niet verkocht.

Denkend aan de dagen om Gedichtendag heen, zie ik eindeloze reeksen gedichten, op zoek naar een uitgave. Echte lezers of kopers bestaan niet meer. Festivals wel, net als hoogtijdagen waarvoor een dichter een gelegenheidsgedicht maakt en clubjes waarin dichters elkaars werk bespreken. Gedichten alom, maar waar bij dit alles is de poëzie gebleven?

Die trekt zich meer en meer terug in een klein hutje, waar de laatste kenners zinloos met elkaar van mening verschillen. Die kenners zijn bijna nog erger dan de dilettanten op wie ze neerkijken.

Die kenners schrijven recensies, waarin het werk van Astrid Lampe „terroristisch” wordt genoemd. Dat is een fijne poging om het gevaar de poëzie binnen te loodsen, maar meer dan een losse flodder wordt het niet. De lezer trekt daarvoor niet naar boekhandel of webshop.

Gedichtendag is, net als de Boekenweek, een uitzichtloze paradox. Wat ooit was bedoeld om aandacht voor het boek te vragen, verwordt tot een machine die geld – via festivals en voorleesavonden – en aandacht moet opleveren, aandacht die na die ene dag wegtrekt als een met schimmelzalf behandelde schimmel.

‘De’ poëzie is meer en meer iets wat zich afspeelt buiten dit ‘officiële’ circuit, op slamavonden, op websites, op Facebook en in de hoofden van jonge dichters die zich niks gelegen laten liggen aan prijzen of festivals. Die winnen ze later wel. Daar treden ze ooit wel op. Helaas kun je niet ‘tegen’ Gedichtendag zijn. Het zou lijken of je je eigen vak om zeep zou willen helpen. Dat is niet solidair.

Toch, ik herhaal het – het moet de komende jaren maar eens afgelopen zijn. E. du Perron schreef het immers al:

De Poëzie blijft, naakt en ongekromd,

een Tijdverdrijf voor enk’le Fijne Luiden.

Zo is het maar net, ook al bedoelde hij het ironisch.

Chrétien Breukers is dichter, publicist, uitgever en hoofdredacteur van www.decontrabas.com