Een echte cultuurdemocraat

Journalist en D66-senator Jan Vis was een stijlvast staatsrechtgeleerde die zijn kennis met enthousiasme overdroeg.

Rotterdam, 26 jan. - De formatie van het latere kabinet-Rutte was eind juni amper begonnen. Het CDA etaleerde nog ‘bescheidenheid’. Toch rook prof. mr. Jan Vis, de voormalige staatsraad die eergisteren plotseling op 77-jarige leeftijd overleed, al onraad. Informateur Uri Rosenthal was zo vrijblijvend bezig dat de formatie een chaos kon worden.

Vis had ervaring. In 1994 was hij een van de informateurs die aan de wieg stonden van het eerste Paarse kabinet-Kok. Na 44 dagen liepen de besprekingen tussen de onderhandelaars vast. Hij meldde dat aan koningin Beatrix. „Laat ze niet lopen, meneer Vis. Ze willen nu meteen naar buiten, naar een terrasje, en alles zo snel mogelijk vergeten. Laat ze pas gaan nadat álle punten van geschil en overeenstemming nauwkeurig zijn opgetekend”, herinnerde Vis zich later de woorden van de koningin.

Formeren is het afpellen van de onmogelijkheden. Archiveren is dus essentieel, wist Vis, die vreesde dat Rosenthal dat niet deed. Hij was bezorgd als democraat uit de school van D66, de partij waarvan hij in 1967 lid was geworden.

Jan Vis, in 1933 geboren, was toen politiek redacteur van de GPD, een functie die hij van 1969 tot 1973 bij NRC Handelsblad zou vervullen. Indertijd was het vrij normaal dat een journalist lid was van een partij of de verkiezingsprogramma’s redigeerde. D66 was toen bovendien een generatieclub. Hans van Mierlo, Hans Gruijters, Anneke Goudsmit, Jan Terlouw en Els Borst waren ook tussen 1931 en 1933 geboren.

Terwijl in de Tweede Kamer mede dankzij D66 de polarisatie vorm kreeg, begon Vis in de avonduren aan een rechtenstudie die hij in 1971 afrondde. Twee jaar later verliet Vis na 21 jaar de journalistiek. Hij werd eerst lector staatsrecht in Groningen en in 1980 hoogleraar. Dat jaar werd hij ook in de Eerste Kamer gekozen. Vis bleef 15 jaar senator, totdat hij in 1995 werd benoemd in de Raad van State.

Als wetenschapper en parttime politicus was Vis geen auteur van dikke boeken. Naast een monografie over De ontbinding van het parlement, een thema dat hem aan het hart ging omdat hij vond dat de Tweede Kamer zich te makkelijk onder politieke druk liet zetten, schreef hij vooral overzichtswerken. Vis was een docent die zijn kennis met jongensachtig enthousiasme overdroeg. En met rechtstatelijke stijlvastheid.

Modieus zwenken naar de tijdgeest was hem vreemd. Maar de hervormingsdemocraat Vis onderkende wel de heilzame werking van tradities. Toen vicepremier Bos in 2009 pleitte voor een bevlogen troonrede, in de hoop zo de vertrouwenscrisis tussen burger en politiek te kunnen overwinnen, schreef Vis vrolijk streng: „De minister moet een grapje hebben gemaakt. Visionaire toespraken zijn in Nederland-coalitieland niet mogelijk. Als er visies zijn, dan zijn ze tegengesteld, en als we ze werkelijk serieus zouden nemen, wordt het burgeroorlog”.

Ruim voor de jaren negentig, in 1987, voorvoelde Vis in een interview met NRC Handelsblad al iets. „De politiek is overgenomen door economen. Maar cultuur wordt steeds belangrijker. We hebben ook nog allochtonen die deel moeten gaan uitmaken van onze samenleving. Als er geen cultureel besef is, zal dat ook niet gebeuren. Dat is toch een klein stukje dynamiet in onze samenleving”.

Hier was een cultuurdemocraat aan het woord die wist dat democratie geen uitgemaakte zaak is.