Vooral de ouders moet je opvoeden, vond criminologe

Criminologe Josine Junger-Tas was de eerste om jeugdcriminaliteit te relativeren.

Bilthoven, 30-09-08. Josine Junger-Tas, sociologe. Foto Leo van Velzen NrcHb.

Woedend kon Josine Junger-Tas worden als ze vertelde over de manier waarop lastige kinderen worden behandeld. Door leraren, hulpverleners, agenten, rechters. Criminologe Junger-Tas, die eind vorige week op haar 81ste overleed, kon jeugddelinquentie goed relativeren. Dat men na een vechtpartij op het schoolplein tegenwoordig de politie erbij haalt en dat zoiets dan eindigt in de rechtszaal! Bespottelijk vond ze het. „We worden een heel repressief landje”, zei ze vaak. „Nederland sluit meer kinderen op dan elk Europees land behalve Engeland.”

Junger-Tas gaf tot haar tachtigste gastcolleges criminologie aan de Universiteit Utrecht. Ze genoot internationale bekendheid als criminologe en kreeg drie jaar geleden de Distinguished International Scholar Award van de American Society of Criminology.

Ze was klein van stuk, praatte vlot en lachte veel. Junger-Tas gold als sociaal-liberaal en zeer betrokken bij het lot van kinderen en tieners die in de problemen kwamen. Zelf was ze kind van een „anarchistische” joodse vader en een katholieke moeder, die op haar derde uit elkaar gingen. Toen haar vader vervolgens een nieuwe vriendin vond, trok de hele santekraam, inclusief haar moeder, bij vader in. Later zou haar moeder nog drie keer trouwen. Haar vader werd na de oorlog correspondent in Parijs voor Het Parool.

Zelf voedde Junger-Tas vier kinderen op: twee eigen dochters en twee adoptiedochters uit Zuid-Korea.

Veertig jaar lang verdiepte ze zich in de oorzaken van jeugdcriminaliteit. Ze studeerde als jonge moeder sociologie omdat ze zich „dood verveelde in het huishouden”. Op haar 43ste promoveerde ze op jeugdcriminaliteit. En zo kwam ze drie jaar later terecht bij het wetenschappelijk onderzoeks- en documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie. Dat was het einde van haar huwelijk. „Ik koos voor mijn carrière”, zei ze er later over. Ze werkte er twintig jaar, waarvan de laatste vijf jaar als directeur.

Op haar initiatief vroeg het WODC vanaf 1986 elk jaar aan een representatieve groep scholieren of zij zich schuldig hebben gemaakt aan overtredingen of misdrijven zoals zwartrijden, diefstal of iemand verwonden. Uit die enquêtes bleek later dat jeugdcriminaliteit al twintig jaar stabiel is. Jaarlijks is 40 procent naar eigen zeggen op de één of andere manier bij zo’n incident betrokken.

De pogingen het afgelopen decennium van politie, justitie en jeugdzorg om greep te krijgen op kinderen en tieners stoorden haar mateloos. Opslag van DNA-materiaal van minderjarigen? (sinds 2008) Zinloos én kwalijk, vond zij. Kinderen uit huis halen omdat de opvoeding niet goed verloopt? Schadelijk, vond Junger-Tas. „Hoe erg ouders soms ook zijn – zij houden van je en hulpverleners in een instelling niet. Die zijn op het werk”. Dossiers aanleggen over elk kind, met ‘risicofactoren’ zoals gescheiden ouders, adhd of werkloosheid thuis? (sinds een paar jaar) Contra-productief, vond zij. „Natuurlijk hebben jeugddelinquenten vaker alleenstaande en of werkloze ouders, maar je kunt het niet omdraaien. Niet elk kind met een stoornis, alleenstaande of werkloze ouders is een risicogeval en die moet je ook niet zo behandelen.”

Opvoeden, opvoeden, opvoeden – daar pleitte Junger-Tas voor. En dan vooral ontspoorde ouders opvoeden zodat zij zelf hun kinderen weer kunnen opvoeden. Verplichte fulltime begeleiding thuis lijkt misschien duur, zei Junger-Tas, maar het is nog altijd goedkoper dan een woonplek in een jeugdinstelling.