Spion in een spookstad

„Ga niet naar Transnistrië, je komt niet levend terug.”

Schrijver Arnon Grunberg liet zich niet kennen en reisde naar dit ‘communistische openluchtmuseum’, samen met een ‘embedded’ militair.

Een onafgebouwde flat tussen Tiraspol en de Moldavische grens. Foto's Willem Sluyterman van Loo Moldova, Transnistria, July 24, 2009. The unofficial country of Transnistria, in the east of Moldova. A flat that was not finished, somewhere between Tiraspol and the Transnistria-Moldova border. Photo by Willem Sluyterman van Loo (c)

In zijn verleden jaar verschenen boek Bloodlands, Europe between Hitler and Stalin, bakent de historicus Timothy Snyder een gebied in Oost-Europa af waar Hitler en Stalin het grootste gedeelte van hun massamoord hebben laten plaatsvinden. Dat gebied, dat Snyder de ‘bloodlands’ noemt, loopt van de Oostzee tot de Zwarte Zee. Van Sint-Petersburg tot Danzig, via Poznan en Krakau naar Odessa langs de Zwarte Zee en dan via Koersk en Smolensk omhoog naar Sint-Petersburg.

Veertien miljoen mensen zijn hier in de periode 1932-1945 door zowel Stalin als Hitler vermoord. Joden, burgers van de Sovjet-Unie, voornamelijk Russen, Wit-Russen en Oekraïners, en Polen. In sommige vernietigingskampen werd de as van mensen gebruikt als mest voor planten. In werkelijkheid maakt mensenbloed het land zelden vruchtbaar. Of zoals Milan Kundera aangaf: er bestaat geen Centraal-Europa meer.

Ondanks het feit dat sommige steden in de ‘bloodlands’, bijvoorbeeld Krakau en Odessa, succesvol gerestaureerd zijn, lijkt het gebied nog altijd op een spookland. Toen ik in december 2008 door het zuidelijke gedeelte van Oekraïne reisde, trof het mij dat de meeste jonge mensen die ik sprak daar weg wilden. Ook al moesten ze ervoor trouwen met een man die veertig jaar ouder was, de toekomst was elders.

De dorpen rondom Lviv, voorheen Lemberg, in het noordwesten van Oekraïne, wekken de indruk uitgestorven te zijn, alsof ze alleen nog per vergissing bestaan. Bijvoorbeeld Brody, de geboorteplaats van de schrijver Joseph Roth.

In de periferie van de bloodlands ligt een klein, onafhankelijk landje dat door geen enkel ander land erkend wordt: Transnistrië. Het ligt ingeklemd tussen Moldavië en Oekraïne en het is zo onbekend dat toen ik aan vrienden vertelde dat ik naar Transnistrië ging de meesten van hen meenden dat ik het over Transsylvanië had, een regio in Roemenië.

De officiële naam van Transnistrië is PMR, Pridnestrovische Moldavische Republiek, in het Westen spreekt men meestal van Transnistrië. Strikt genomen is Transnistrië een groter gebied, te weten de regio tussen de Dnjestr en de Boeg die allebei in de Zwarte Zee uitmonden.

De regio Transnistrië werd in juni 1941, nadat Duitsland het Molotov-Ribbentroppact had verbroken, door Roemeense troepen veroverd. Roemenië was geallieerd met nazi-Duitsland. In Transnistrië stichtte de Roemeense dictator Antonescu getto’s en kampen voor voornamelijk Joden.

Ongeveer 300.000 Joden zijn in deze regio door Roemenië vermoord. De ouders van de dichter Paul Celan zaten hier in een werkkamp – zijn vader overleed aan tyfus, zijn moeder werd in de nek geschoten. Een vrijwel vergeten hoofdstuk van de Holocaust.

In 1992 verklaarde Transnistrië, niet te verwarren met de regio Transnistrië, zich onafhankelijk van Moldavië, dat na de ontbinding van de Sovjet-Unie een onafhankelijke republiek was geworden. In Moldavië wordt voornamelijk Moldavisch gesproken, volgens velen een Roemeens dialect.

Het is de Dnjestr die grosso modo de grens vormt tussen Moldavië en Transnistrië. Zo’n dertig kilometer verderop begint Oekraïne al, de Russen zijn hier in de meerderheid. Dit strookje land is vanaf 1992 de de facto onafhankelijke republiek Transnistrië.

Wie wil weten wat de situatie is in de bloodlands, 65 jaar na de massamoord, zou in Transnistrië moeten beginnen. ‘Een spookland’: zo werd het genoemd toen ik in het voorjaar van 2009 de Moldavische hoofdstad Chisinau bezocht. Hoe zou het spookland van een spookland eruitzien?

„Ga niet naar Transnistrië, je komt niet levend terug”, zei een Moldaviër in Chisinau tegen me. Van iemand anders in Chisinau hoorde ik dat Transnistrië een zwart gat zou zijn, centrum van vrouwen- en wapenhandel. Maar er werd aan toegevoegd: „Je komt er niet binnen. En aan journalisten hebben ze helemaal een hekel.”

De meeste berichten in de westerse pers bevestigen dit beeld. De woorden ‘communistisch openluchtmuseum’ vallen geregeld, vaak met nauwelijks onderdrukte wellust.

De reis naar Transnistrië zal ik niet alleen maken. Toen ik in 2007 embedded was bij het Nederlandse leger in Afghanistan sloot ik vriendschap met een ritmeester, Niels Roelen, inmiddels gepromoveerd tot majoor. In een voorwoord bij een bundel met verhalen van Nederlandse militairen die in Afghanistan hadden gediend, maakte ik de licht ironisch bedoelde opmerking dat aangezien ik embedded was geweest bij het Nederlandse leger dat leger ook best embedded bij mij mocht zijn. Niels nam dat aanbod zeer serieus.

Niet alleen journalisten maar ook NAVO-militairen zullen niet op een hartelijk welkom mogen rekenen in Transnistrië. Wij reizen daarom onder andere namen. Ik gebruik mijn tweede naam, Yasha, en Niels heet Olav, eveneens zijn tweede naam.

Wij doen ons voor als investeerders: we willen een hotel beginnen in Transnistrië. Maar wat als spel begint, kan werkelijkheid worden. Tiraspol, de hoofdstad van Transnistrië, heeft geen eigen luchthaven voor passagiersvervoer. We landen in Chisinau, zeventig kilometer daarvandaan.

In de aankomsthal staat een gespierde man met een bordje: ‘Olav, Tiraspol’. Het is onze chauffeur, Alexi genaamd. We hebben hem op het internet gevonden. Om precies te zijn, zijn vrouw hebben wij gevonden. De zin: ‘She will advise and assist those interested to buy a property or open a business in Transdniestr’, trok onze aandacht.

Door haar zouden we ook het land binnengesmokkeld worden. Zo had ik me dat voorgesteld.

Diverse journalisten en reizigers vermelden in hun verslagen corruptie aan de grens, maar van deze folklore is geen sprake als wij in de vroege avond bij de grens aankomen.

Een kwartier later zijn we al in Tiraspol, het laatste stukje communistisch Europa, zegt men, maar vanuit de auto verschilt Tiraspol nauwelijks van de steden die ik in het zuiden van Oekraïne heb gezien: verlaten en lichtelijk vervallen.

Lena verhuurt een appartement dat volgens de advertentie op het internet vierentwintig uur per dag warm water heeft. Behalve dit appartement hebben we ook twee hotelkamers geboekt.

Vanwege de verhalen die ik over Transnistrië had gehoord, leek het me verstandig om vanuit twee verschillende adressen te opereren. In het diepst van mijn gedachten ben ik een spion. Het flatgebouw stamt uit de Sovjettijd. In het trappenhuis ruikt het naar nat beton. Alexi zeult mijn koffer de trappen op.

Het appartement bevindt zich op de bovenste verdieping en is comfortabeler dan het trappenhuis doet vermoeden.

„Paspoorten”, zegt Alexi.

„Waarom?”, vraag ik.

Hij legt uit dat wij ons als vreemdelingen moeten registreren en dat hij dat morgenochtend namens ons zal doen. Ik houd mijn paspoort liever bij me. Waar voorzichtigheid ophoudt en paranoia begint, is niet duidelijk, maar voor een spion is paranoia een natuurlijke eigenschap.

Aangezien het Engels van Alexi voor dergelijke onderhandelingen niet toereikend is, bellen we zijn vrouw.

„Luister”, zeg ik tegen Lena, „het is simpel. Ik ga waar mijn paspoort gaat.”

Ik geef de telefoon terug aan Alexi, waarop Alexi zijn schouders ophaalt en onze paspoorten teruggeeft. Kort daarop verlaat hij licht gepikeerd het appartement.

Ik voel me beschaamd.

In een land als dit is de rol van reiziger soms moeilijk te onderscheiden van die van de kolonisator: de hoogmoed, de morele superioriteit, de beste bedoelingen die vaak iets minder goede bedoelingen moeten camoufleren.

„Ik hoop niet dat we iemand dakloos hebben gemaakt door dit appartement te huren”, zegt Olav. Het appartement wekt inderdaad de indruk dat iemand kort voor onze komst hier nog heeft gewoond, ja misschien in grote haast de woning heeft verlaten. We gaan de trappen af.

Aan de andere kant van het appartementencomplex bevindt zich supermarkt Fortuna, waar we een taxi vinden. „City Club Hotel”, zeg ik tegen de chauffeur. Dat zegt hem niets. Wij laten hem een briefje zien met het adres, maar hij lijkt met het Latijnse alfabet net zoveel moeite te hebben als wij met het cyrillische.

Het hotel bevindt zich in een uitgestorven straat. Een receptioniste, een jonge vrouw, heet ons welkom.

Olav had voor de reis aangegeven dat hij met mij wel een kamer wilde delen, maar in mijn leger heeft de persoon die embedded gaat een eigen kamer. Toen ik in Irak embedded was bij Amerikaanse leger ging ik ook niet naakt naast een luitenant liggen.

Als we vijf minuten later beneden zijn, zegt de receptioniste dat het haar spijt maar dat het restaurant al dicht is. Ze heeft voor ons gereserveerd in Villa Rich. En ze heeft een auto geregeld die ons daarheen zal brengen. Ze drukt ons op het hart de chauffeur te bellen als we weer terug naar het hotel willen.

Villa Rich lijkt van buiten op een slordige imitatie van een nachtclub in Miami Beach in de jaren tachtig. Van binnen blijkt het restaurant, de naam deed dat al vermoeden, een soort van lounge te zijn. Boven de bar hangt een poster met een silhouet van een vrouw die haar benen wijd spreidt.

Er staat sushi op het menu. Symbool van luxe in deze contreien. De stoelen zijn een soort van poefs. Nadat we besteld hebben, buigt een wat gezette jongeman van een jaar of twintig die aan het tafeltje naast ons zit zich naar ons toe en vraagt in redelijk goed Engels: „Wat doen jullie in dit arme land?” Alsof hij het zich niet kan voorstellen dat iemand vrijwillig naar Transnistrië komt.

De vraag overvalt me.

„Wij investeren in hotels”, zeg ik. „Er zijn hier geen goede hotels”, zegt hij.

Hij blijkt Nick te heten, afkorting van Nikolai, hij woont in Tiraspol maar studeert economie in Chisinau. Nick geeft ons zijn telefoonnummer, we moeten hem maar bellen. Van boven komt harde muziek.

„Daarboven zijn wellicht naaktdanseressen”, zeg ik.

Als Transnistrië het centrum van vrouwenhandel is, zou er iets van te merken moeten zijn in het dagelijks leven.

Na het eten besluiten we een kijkje te nemen. Een man wil ons tegenhouden, maar we stormen naar binnen. Mannen met tafellakens in hun handen kijken ons verbaasd aan. Het blijkt een zaal voor feesten en partijen te zijn. Vermoedelijk heeft er net een feest plaatsgevonden. Ze zijn aan het afbreken.

Voor de tweede keer die avond overvalt de schaamte mij. Terwijl wij de trap aflopen, vraagt Olav: „Ben je wel eens verliefd geweest op een man?”

Volgende week dinsdag het slot.