Praten helpt hartaanvallen te voorkomen

Door gedragtherapie bij hartpatiënten daalt het aantal hartaanvallen flink. Nederlandse patiënten wisten dat nog niet toen ze aangaven psychologische zorg te willen.

Nederlandse hartpatiënten hebben behoefte aan ‘een proactief, direct en herhaald aanbod van psychosociale zorg’. En als dat niet kan willen ze graag met patiënten in contact komen die hetzelfde meemaken. Het gaat bij hartpatiënten om onzekerheid en om angst voor dat hart dat het ieder moment lijkt te kunnen opgeven.

Zo staat het in de vorige maand gepubliceerde samenvatting van onderzoekers van de Vrije Universiteit in Amsterdam die in opdracht van de Hartstichting de behoefte aan psychosociale zorg van hartpatiënten peilden.

De patiënten maken in de onderzoeksgesprekken duidelijk dat psychosociale zorg voor hartpatiënten in Nederland lang niet overal gebruikelijk is. Dat schreven deskundigen al in 2006 in een rapport van de Hartstichting.

Gisteren gepubliceerd Zweeds onderzoek in de Archives of Internal Medicine naar gedragstherapie bij hartpatiënten gaat een flinke stap verder dan incidentele zorg aan hartpatiënten die al problemen ondervinden – en ook verder dan screenen op angst en depressie.

De Zweedse onderzoekers boden psychotherapie aan, aan alle mensen die een hartaanval hadden gehad, of die waren gedotterd, of een bypassoperatie hadden ondergaan. Dotteren of een bypass voorkwamen hoogstwaarschijnlijk hun eerste hartinfarct. Mensen met zo’n ziektegeschiedenis hebben een flink verhoogde kans om (opnieuw) een hartaanval te krijgen. Ongeveer een derde van de mensen die het aanbod kregen, zag niets in psychotherapie.

Uiteindelijk waren er 362 deelnemers. Ongeveer de helft kreeg de psychotherapie naast de ‘gewone zorg’. De anderen deden mee als ‘vergelijkingsmateriaal’. De gewone zorg hield in: leefstijladviezen en zonodig medicatie met bloedverdunners, cholesterolverlagers en bloeddrukverlagers.

De gedragstherapie bestond uit 20 groepssessies, gespreid over een jaar. Iedere bijeenkomst duurde twee uur.

De deelnemers leerden lichamelijke spanning en boze, angstige of vijandige gevoelens herkennen en bestrijden. Ze leerden hoe stress hartproblemen kan veroorzaken. De bedoeling was ook om actiever, bewuster en spiritueler te leren leven. Iedere sessie begon met ontspanningsoefeningen. Er gingen oefeningen mee naar huis. De gedragstherapie had een duidelijke dosis-effectrelatie: iemand die veel sessies bijwoonde, had een lagere kans op een hartaanval.

De Zweedse onderzoekers zagen dat het aantal hartaanvallen in de acht jaar na de gedragstherapie halveerde, en dat de sterfte met een kwart daalde.