Planeet 'Goudlokje' is toch een sprookje

Gliese 581g, die geschikt leek voor het ontstaan van leven, bestaat misschien helemaal niet.

Dat blijkt uit heranalyse van meetgegevens.

Het leek wel een sprookje, en misschien was het dat ook. Eind september 2010 maakten Amerikaanse onderzoekers bekend dat zij bij de rode dwergster Gliese 581a, op ongeveer twintig lichtjaar afstand van de aarde, een kleine planeet hadden ontdekt waar de temperatuur geschikt kon zijn voor het ontstaan van leven. Niet te heet dus en niet te koud. Het leverde de planeet zelfs de bijnaam ‘Goldilock’s Planet’ op, naar het sprookje ‘Goudlokje en de drie beren’. Daarin kwam het meisje Goudlokje in het huisje van drie beren terecht, waar ze van drie bordjes pap proefde: het eerste was te heet, het tweede te koud en het derde precies goed. Zo zou ook deze nieuwe planeet ‘precies goed’ kunnen zijn voor het ontstaan van leven.

Maar krap twee weken later rezen al de eerste twijfels over deze ‘bewoonbare’ exoplaneet, die, als zesde planeet van zijn ster, de aanduiding Gliese 581g kreeg (de ster is de ‘a’). Onderzoekers van de universiteit van Genève, die de eerste vier planeten bij de ster hadden ontdekt, konden er in hun meetgegevens namelijk geen spoor van terugvinden. Voor planeet nummer vijf, ook door de Amerikanen ontdekt, gold hetzelfde.

De twijfel over het bestaan van Gliese 581g is nu verder aangewakkerd door een uitgebreide statistische analyse van de meetgegevens van beide onderzoeksteams door de Canadese astronoom Phil Gregory, waarvan de resultaten binnenkort in de Monthly Notices of the Royal Astronomical Society worden gepubliceerd. Gregory gebruikt een computerprogramma dat uitrekent hoe waarschijnlijk het is dat de reeks meetgegevens door een bepaalde combinatie van planeten wordt veroorzaakt en dat vervolgens voor tal van verschillende combinaties herhaalt.

Volgens die heranalyse van Gregory is de kans dat Gliese 581g daadwerkelijk bestaat kleiner dan 0,0022 procent. Sterker, nadat hij de Amerikaanse en Zwitserse gegevens had samengevoegd en doorgerekend, bleven er aanvankelijk maar twee planeten over. Er was nog een extra bewerking van de Amerikaanse gegevens nodig om op een totaal van vier te komen.

Nu valt het niet mee om een nieuwe, relatief kleine planeet op te sporen bij een ster waar vier, vijf of misschien zelfs zes planeten omheen cirkelen. Astronoom Ignas Snellen, die aan de Universiteit Leiden onderzoek doet naar exoplaneten, betitelt het stelsel van Gliese 581a dan ook als ‘ongeveer het moeilijkste planetenstelsel om op te meten’. Bij de meeste sterren zijn nog niet zo veel planeten ontdekt – ons eigen zonnestelsel is met acht planeten nog steeds recordhouder. En al die planeten geven hun eigen rukjes aan de ster, wat in een onoverzichtelijke warboel van meetpunten resulteert. En zelfs als die warboel uiteengerafeld kan worden tot een aantal periodieke golfbewegingen, is er reden tot voorzichtigheid – zeker als een vermeende schommeling van de ster maar nét boven de ‘ruis’ van de meetonzekerheden uitkomt.

Voor Snellen, die vorig jaar oktober bij de conferentie was waar het Zwitserse team zijn twijfels kenbaar maakte, komt dat niet meer als een verrassing. „Het Amerikaanse team heeft veel minder meetgegevens”, zegt hij. „De nieuwe analyse van Phil Gregory laat zien dat er eigenlijk helemaal geen extra planeten in zitten. Het lijkt erop dat de Amerikanen de onzekerheden in hun gegevens hebben onderschat.”

Overigens heeft NASA niets te maken met dit planetenonderzoek. De ruimtevaartorganisatie staat bekend om de ronkende toon van haar persberichten – NASA-ontdekkingen zijn altijd ‘fantastisch’, waarna het onderzoek nogal eens tegenvalt. Dat werd vorige maand bijvoorbeeld pijnlijk duidelijk bij de persconferentie over de ‘arseenbacterie’. Maar zoiets overkomt dus niet alleen NASA.