Nerveuze overheden drijven voedselprijzen op

Paniek en speculatie, zeggen deskundigen, drijven de voedselprijzen op. Maar uit recent onderzoek blijkt dat de reactie van nerveuze overheden op hoge prijzen een veel schadelijker effect heeft dan gedacht.

In financiële kringen wordt de oproep van Frans president Sarkozy om de invloed van speculanten te beperken, met argusogen gevolgd. Sinds de ingrijpende correctie in het najaar van 2008 zitten de prijzen van agrarische grondstoffen – soft commodities – weer in de lift en wordt opnieuw gevreesd voor voedselrellen en een opflakkering van de wereldwijde inflatie.

Paniek en speculatie, vermoeden deskundigen, zijn de reden waarom suiker, tarwe, rijst, maïs, cacao en koffie weer opvallend duurder zijn geworden. Maar uit recent onderzoek blijkt dat de manier waarop politici drie jaar geleden op de hoge voedselprijzen reageerden, een veel schadelijker effect heeft gehad op de inflatoire prijzenspiraal dan tot nu toe werd gedacht. Niet alleen voor rijst, maar ook voor tarwe en vermoedelijk ook voor maïs.

In november 2007 begon de prijs voor rijst op de grondstoffenmarkt plots abrupt te stijgen, ondanks goede oogsten en uitgebreide mondiale voorraden. Exportbeperkingen door de Vietnamese en Indische regeringen in het najaar van 2007 zorgden echter voor een onverwacht domino-effect. Andere landen volgden prompt met protectionistische maatregelen en paniekaankopen, wat de prijs in zes maanden tijd met 140 procent omhoog dreef.

Iets dergelijks gebeurde er met tarwe. Zo waren minder goede graanoogsten in Australië in 2005 en 2006 al een signaal voor nerveuze prijsbewegingen in de markt. Maar de beslissing van de Oekraïnse overheid in 2007 om de graanexport tijdelijk stop te zetten, leidde tot een brede „besmetting” van de markt: de tarweprijs schoot omhoog en kort daarna volgden ook Argentinië, Rusland en Kazachstan met restrictieve maatregelen.

De export beperken of een wedren op mondiale voorraden heeft een indringend effect op de prijsontwikkeling, zo blijkt uit een rapport van het invloedrijke International Food Policy Research Institute (IFPRI), dat vorig jaar verscheen. Er waren diverse factoren die de sterk gestegen prijzen van tarwe, rijst en maïs in de periode 2007 en 2008 verklaren: een zwakke dollar, lage intrestvoeten, hoge olieprijzen en de scherp gestegen vraag naar maïs voor biobrandstoffen.

Dit „complexe samenspel” van factoren, gecombineerd met „abrupte schokken in de markt” – zogenoemde trade shocks – zorgde echter voor ongeziene prijsfluctuaties.

Overtuigend empirisch bewijs over de structurele invloed van financiële speculatie op de hoge voedselprijzen, vonden de onderzoekers van IFPRI niet. „Speculatie lijkt eerder een symptoom dan een oorzaak te zijn van grote prijsfluctuaties”, vermoeden ze. Al voegen ze eraan toe: the jury is still out.

Wel duidelijk is dat hoge voedselprijzen het gevolg waren van allerlei factoren, niet alleen ongunstig weer, maar evenzeer onjuiste politieke maatregelen, zoals exportrestricties, paniekaankopen op de markt en subsidies voor biobrandstoffen.

De studie wijst op een naar eigen zeggen „beangstigende” gedachte. Ze stelt vast dat de voedselcrisis van 2008 opvallende overeenkomsten vertoont met die van 1972-74, toen olie ook erg duur was, de dollar devalueerde en de toenmalige Sovjet-Unie grote partijen Amerikaans graan opkocht in de markt (vergelijkbaar met de groeiende vraag naar biobrandstof ruim dertig jaar later). Nieuwe prijsschommelingen worden dan ook niet uitgesloten, want abrupte schokken in de markt zouden wel eens een „inherent onderdeel” kunnen zijn van het mondiale voedselsysteem, zo luidt de conclusie.

Het onderzoek van IFPRI dat begin 2010 verscheen, krijgt stilaan ook in beleidskringen steeds meer aanhang. Afgelopen zaterdag waarschuwde het hoofd van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) Pascal Lamy dat uitvoerbeperkingen de belangrijkste oorzaak zijn van de recente forse stijging van de wereldwijde voedselprijzen. Er zijn betere methodes zijn om de voedselvoorraad te garanderen, zei hij. De oplossing moet komen uit een wereldwijde verhoging van de voedselproductie, betere sociale vangnetten en mogelijk het aanleggen van voedselreserves.

Deskundigen van de FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, wijzen ook op de positieve keerzijde van hogere voedselprijzen. Elke prijsspiraal is volgens hen een springplank om meer te investeren in agrarische productie.

„De grote zorg is eerder dat het abrupt in elkaar zakken van de wereldwijde voedselprijzen, zoals in het najaar van 2008, telkens weer leidt tot een wijd verspreide apathie onder beleidsmakers ten aanzien van de agrarische sector”, zo vreest het IFPRI.

Met andere woorden, zolang de prijzen hoge pieken halen is er wel voldoende politieke aandacht voor een verhoging van de voedselproductie. Maar als de prijzen dalen, dan zakt die aandacht ook als een pudding in elkaar.

Er is op dit ogenblik geen sprake van een nieuwe voedselcrisis. Anne Broekema, voorzitter van Het Comité van Graanhandelaren, ziet geen reden voor onrust. „Na de vorige piekperiode hadden we twee meer dan gemiddeld goede oogstjaren achter de rug en de mondiale graanvoorraden zijn op dit ogenblik hoger dan in 2008.”

Maar Broekema is waakzaam. „Er wordt nu wel erg veel tarwe uit Europa en de VS naar Noord-Afrika en het Midden-Oosten geëxporteerd. Terwijl we nog geen zekerheid hebben dat de nieuwe oogsten in Europa voldoende voorraad zullen opleveren.”

Ook over de invloed van speculanten is Broekema genuanceerd. „Er is op dit ogenblik een zeer actieve termijnhandel in graan”, zegt hij. „Een deel daarvan is speculatie, daar kan je niet onderuit.” Maar dat is volgens hem niet storend.

Toch sluiten experts van de FAO niet uit dat buitensporige speculatie tijdelijk een „pervers effect” kan hebben in de agrarische markt. In de lente en zomer van vorig jaar kocht het Britse hedgefonds Armajaro een gigantische hoeveelheid termijncontracten in cacao op, wat de prijs opstuwde tot de hoogste piek in 33 jaar. Het fonds ging zelfs zo ver om ook 7 procent van de mondiale cacaovoorraad fysiek in te kopen.

Die poging om de prijs te manipuleren zorgde voor een schok op de Londense termijnbeurs en wekte de argwaan van politici en toezichthouder. Het is vooral die speculatie op afgeleide markten die de Franse president Sarkozy, als voorzitter van de G8 en G20 wil aanpakken. Maar het effect op de cacaoprijs was eerder kortstondig.

„Je leest nergens dat dit hedgefonds aardig zijn broek heeft gescheurd aan deze manoeuvre”, zegt effectenmakelaar Kees Maas uit Lelystad. Hij gelooft niet dat speculanten de prijzen voor tarwe, maïs of rijst opvijzelen. Dat is „koren op de molen voor zwartkijkers”, zegt hij. Met zijn bedrijf DCA-Finance, een van de zes gespecialiseerde makelaars voor agrogrondstoffen in Nederland, voert hij voor rekening van derden orders uit op de termijnbeurzen van Chicago, Londen en Parijs.

Maas beklemtoont: „Ik werk niet voor financiële speculanten”. Zijn clientèle bestaat uit boeren, handelaren en verwerkers uit de agrarische sector die bij hem een bepaalde hoeveelheid graan, aardappelen, melk of vleesvarkens kopen of verkopen tegen een vooraf vastgelegde prijs. Op die manier dekken zij het risico van grote prijsfluctuaties af. Een actieve termijnhandel is voor Maas het geschikte middel om lokale boeren in opkomende landen uit de negatieve prijsspiraal te tillen.

Hoe hoger de prijzen op de grondstoffenmarkt, hoe meer er in termijnorders wordt gehandeld, zegt Maas, want hoe meer geld zijn klanten kunnen verliezen als ze zich niet indekken tegen die prijsschommelingen. De termijnhandel is voor hem als een „parkeerplaats voor risico’s”: ze garandeert elke partij een vaste kostprijs of opbrengst.

Speculanten spelen daarbij hun eigen rol: zij bevorderen de liquiditeit of de handel in de markt. En een hogere liquiditeit levert betere prijzen en dus meer geld op voor de boeren, die dat dan weer kunnen investeren in meststoffen, materieel en irrigatie – met substantieel betere oogsten tot gevolg.

Net zoals bij de vorige piekperiode van 2008 hoopt effectenmakelaar Maas dat de prijzen op een hoog niveau zullen blijven. Hij maakt de vergelijking met de ingrijpende correctie die zich in de markt voor agrarische grondstoffen voordeed na de voedselcrisis van 1972-74. Toen bleven de graanprijzen decennia lang laag.

„Ruim veertig jaar lang was de graanteelt in Nederland zo goed als verlieslijdend”, zegt Maas. „De enige reden om graan te telen, was om de grondwaarde op peil te houden. Elke vier jaar een akker inzaaien met tarwe gaf de bodem een rijkere humuslaag mee.”

De explosief gestegen tarweprijs in de lente van 2008 – in maart lag die 314 procent hoger dan vijf jaar eerder – zorgde echter voor een ommekeer. „Toen werd er met de teelt van graan voor het eerst weer winst gemaakt”, zegt Maas. En hij hoopt dat dit voor 2011 opnieuw het geval zal zijn. „Hoge tarweprijzen zijn een zegen voor de branche.”