Links perspectief?

Over de ‘eenheid van links’ wordt al gepraat sinds de eerste scheuring in de prille Socialistenbond, van Domela Nieuwenhuis. We zitten dan in 1894. De wegen van anarchisten en sociaal-democraten scheidden zich. Op meetings vlogen de stoelen in het rond. Een kortstondige samenwerking bij de spoorwegstakingen van 1903 eindigde ermee dat men elkaar met pistolen bedreigde. Dat was nog maar het begin van een geschiedenis van afsplitsingen en scheuringen, soms ook kortstondig samenvloeien, van linkse stromingen, te vergelijken met het zich eindeloos vertakken van protestants-christelijke kerkgenootschappen. Een linkse PKN – de kerkenfusie van een groot deel van de protestanten – zit er vooralsnog niet in. De linkse kerk bestaat niet.

Stel dat morgen de drie partijen die, gedeeltelijk, hun wortels tot de negentiende-eeuwse Socialistenbond kunnen terugvoeren, zouden fuseren. Dan had je overmorgen twee afsplitsingen. Kijk maar naar Europa. In alle landen van de Europese Unie bestaan sociaal-democratische, links-socialistische en groene partijen naast elkaar. PvdA, SP en GroenLinks zitten niet voor niets in drie verschillende fracties van het Europees parlement. Het CDA zit zonder gewetensbezwaren in één en dezelfde fractie met de partij van Berlusconi.

Linkse eenheid is een hersenschim, maar samenwerking, waartoe de PvdA bij monde van Job Cohen de andere oppositiepartijen op 14 januari uitnodigde, lijkt kansrijker dan in bijna anderhalve eeuw het geval is geweest. In dat opzicht mag je de bijeenkomst in de Brakke Grond in Amsterdam met de nodige voorzichtigheid wel ‘historisch’ noemen.

De linkse partijen zijn gewend om elkaar te beconcurreren, omdat hun potentiële electoraat voor een deel bestaat uit communicerende vaten. Daarom laten zij zich gemakkelijk tegen elkaar uitspelen.

Zo boekte links in 2006 bij de gemeenteraadsverkiezingen een eclatante overwinning, als gevolg van de weerstand die het derde kabinet-Balkenende had opgeroepen. Denk aan de vakbondsmanifestatie tegen het regeringsbeleid op het Museumplein in Amsterdam, waar 300.000 betogers op de been waren. Bij de daaropvolgende Tweede Kamerverkiezingen voerden het CDA en de SP een heuse tangbeweging uit tegen de PvdA. Toenmalig SP-leider Marijnissen richtte al zijn pijlen op de PvdA, met de leuze: „Een stem op Bos is een stem op Balkenende”. Een coalitie van het CDA en de PvdA leek immers voor de hand te liggen. Namens het CDA verzon Maxime Verhagen het giftige adagium: „Met Bos ben je de klos”.

De uitkomst van dit electorale spel was het vierde kabinet-Balkenende. De PvdA bestreed de SP, omdat deze zuiver als protestpartij opereerde. De SP bestreed de PvdA, wegens elke denkbare concessie aan haar verkiezingsprogramma. Het is een interessante ontwikkeling dat SP-leider Roemer nu bereidheid toont om samen met de PvdA en GroenLinks op te trekken in de oppositie en te werken aan meer onderling vertrouwen tussen deze partijen.

Zoals het voorbeeld uit 2006 illustreert, is een gedeelde afkeer van een zittend kabinet onvoldoende basis voor linkse samenwerking. De linkse partijen zullen er niet omheen kunnen om de vraag te beantwoorden wat, ondanks een verschillende identiteit, hun gemeenschappelijke noemer is. Anders zullen zij – of het nu gaat om de politiemissie naar Afghanistan of om de AOW – altijd blijven steken in tactische manoeuvres.

Ik denk dat wat links gemeenschappelijk heeft, het beste kan worden samengevat met de term ‘pragmatisch idealisme’, zoals filosofe Susan Neiman het noemt in haar boek Morele helderheid. Dat pragmatische idealisme staat voor een verbinding van gevoel en verstand, ook in de politiek, en knoopt aan bij de verlichtingsethiek van Kant – wie nadenkt, weet wat gerechtigheid is. Wat links gemeenschappelijk heeft, is het geloof in een rechtvaardigere wereld, in de mogelijkheid van vooruitgang zonder te vervallen in blind optimisme, in eerlijke verdeling van de welvaart en in een respectvolle benadering van diverse culturen, in plaats van confrontatie en groepsegoïsme.

Hoe een herhaling te voorkomen van 2006, toen de linkse partijen door het CDA uit elkaar werden gespeeld? Zij zouden kunnen zeggen: samen uit, samen thuis. Dat betekent dan dat de drie partijen bij de volgende Tweede Kamerverkiezingen een voorkeur uitspreken voor een gezamenlijke kabinetsdeelname en gezamenlijk een volgende kabinetsformatie ingaan. Het risico hiervan is dat zij, bij ontstentenis van een linkse meerderheid, waarschijnlijk voorgoed samen thuis kunnen blijven. Streven naar een exclusief links (minderheids)kabinet brengt hetzelfde bezwaar mee dat het rechtse minderheidskabinet oproept – heilloze polarisatie en een verharding en verscherping van tegenstellingen in de samenleving, die onwrikbaar worden. Het maximaal haalbare resultaat van meer linkse samenwerking is vooralsnog dan ook het afzien van een onderlinge concurrentiestrijd en mogelijk de formulering van een gemeenschappelijk minimumprogramma.

De eerste opgave voor de drie linkse partijen lijkt mij de moeilijkste – het doorbreken van de passiviteit en het defaitisme waarmee progressief Nederland gadeslaat hoe Wilders aan de touwtjes trekt en het politieke klimaat bepaalt, waarin het minderheidskabinet kan opereren alsof het zich aan geen oppositie iets gelegen hoeft te laten liggen. De burger fungeert slechts als publiek, zonder de mogelijkheid om zelf deel te nemen aan het politieke leven. Deze toeschouwersdemocratie is funest voor het linkse perspectief.