Het mensenrechtenhof beschaaft Hongarije en Griekenland

Het Straatburgse Hof voor de Rechten van de Mens wordt wel bemoeizucht verweten, maar dit hof is onontbeerlijk voor de EU, betoogt Rick Lawson. En lastig is het zelden.

Erg gelukkig is Hongarije zijn periode als voorzitter van de Europese Unie niet begonnen. Er was gedoe rond belastingen die met terugwerkende kracht werden opgelegd aan een aantal multinationals, waaronder ING en Aegon. Tegelijkertijd was er kritiek op de oprichting van een toezichthouder voor de media, die hoge boetes kan uitdelen voor „onevenwichtige publicaties” en die journalisten kan dwingen hun bronnen prijs te geven.

Dit is een „onaanvaardbare inperking van de persvrijheid”, aldus Europarlementariër Hans van Baalen (VVD) in december. Net als zijn collega Judith Sargentini (GroenLinks) vond hij dat de EU moest nagaan of de wet strijdig was met de Europese grondrechten. De Duitse Bondskanselier Merkel betoogde dat Hongarije zich moest houden aan „de normen en waarden van de EU”.

Los van de vraag hoe dit zal aflopen, is het interessant om te constateren dat politici van allerlei pluimage naar de EU kijken om Hongarije weer in het gareel te krijgen. Was de EU dan niet opgericht om economische integratie te bevorderen? Dat is te simpel geredeneerd. Je kunt de markt en mensenrechten niet van elkaar scheiden. Ook Britse en Franse kranten worden met de restrictieve Hongaarse maatregelen geconfronteerd, constateerde eurocommissaris Neelie Kroes.

Deze episode illustreert dat het in de EU al lang niet meer alleen draait om de interne markt. Voorbeelden te over – zo dwingt het vrije personenverkeer nationale immigratiediensten tot samenwerking. ‘Asielhoppen’ moet immers worden voorkomen. Wie via Spanje de EU is binnengekomen, kan dus niet zomaar hier asiel aanvragen. Hij moet terug naar Madrid en daar zijn procedure voeren. Dergelijke afspraken staan of vallen met wederzijds vertrouwen, vertrouwen in een behoorlijke opvang van asielzoekers en in de kwaliteit van de procedure.

Het probleem is dat dit vertrouwen soms misplaatst is. Zo bestaan al jaren berichten dat de behandeling van asielzoekers in Griekenland ver beneden de maat is. Je kunt de ogen een tijdje daarvoor sluiten, maar vroeg of laat moet dat wel spaak lopen. Dan vertalen schendingen ginds zich in problemen hier en zal men, net als in het Hongaarse geval, naar de EU kijken om de zaak bij te sturen.

Daarbij vormt de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg een ankerpunt. Dat lijkt voor de hand te liggen. Dit hof heeft de juridische expertise en kan van 47 Europese staten bindend vaststellen of zij in individuele gevallen de mensenrechten hebben nageleefd.

In het kader van de Europese Unie krijgt die Straatsburgse jurisprudentie extra betekenis. Als dit hof constateert dat een EU-lidstaat stelselmatig het Europese minimum schendt, begint de samenwerking binnen de Unie te haperen. Dat bleek afgelopen vrijdag in de M.S.S.-zaak, waarin het EHRM oordeelde dat andere lidstaten geen asielzoekers meer naar Griekenland mogen terugsturen zolang de kwaliteit van de Griekse asielprocedure beneden peil is.

Die uitspraak biedt niet alleen bescherming aan de klager zelf, maar geeft ook een prikkel om de situatie te verbeteren. Als de EU die boodschap ter harte neemt, komt een geloofwaardig Europees asielbeleid dichterbij. Wie het van Straatsburg niet wil horen, moet maar eens luisteren naar Luxemburg. Ook het EU-Hof van Justitie buigt zich momenteel over de kwaliteit van de Griekse asielprocedure. Duidelijker kan het niet zijn. Het EHRM en de Europese Unie vullen elkaar aan.

Hoe moeten deze ontwikkelingen vanuit Nederlands perspectief worden gewaardeerd? Thierry Baudet suggereerde dat Europese juk vooral af te werpen (Opinie & Debat, 13 november 2010). Het EHRM laat volgens hem geen enkele ruimte aan de Nederlandse wetgever. Op 17 januari betoogde Tom Zwart op deze pagina dat het Hof te ver doorschiet in zijn rechtspraak.

Daarmee roepen ze een beeld van het EHRM op dat niet spoort met de feiten. Dit Hof toont zich in de regel juist gevoelig voor culturele verschillen. Uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vloeit géén recht op abortus voort (A, B & C versus Ierland, 2010), en géén recht op openstelling van het huwelijk voor homo’s (Schalk & Kopf, 2010). Als Nederland besluit een Turkse burger vanwege zijn strafblad het land uit te zetten, kan het Hof dat billijken (Üner, 2006). Nederland wordt sowieso maar zelden veroordeeld door het EHRM. Het Hof wijst 95 procent van alle Nederlandse zaken af en moedigt schikkingen tussen de staat en klagers aan.

Zeker, zo af en toe slaat het hof een nieuwe weg in, bijvoorbeeld door te bepalen dat een arrestant nog voor het eerste politieverhoor recht heeft op een advocaat (Salduz, 2008), of door te eisen dat mensenhandel actief wordt bestreden (Rantsev, 2010). Sommigen zullen zulke uitspraken verwelkomen. Anderen vinden wellicht dat het Hof daarmee te ver gaat, maar onvrede met concrete uitspraken is nog geen reden om het bestaan van het EHRM of als zodanig in twijfel te trekken.

Het is evident dat Nederland gebaat is bij een stabiel Europa, waarin de persvrijheid wordt gerespecteerd en bedrijven als ING en Aegon weten dat hun investeringen ook in het buitenland veilig zijn. Onze regering heeft direct belang bij een Griekenland dat zijn opvang van asielzoekers op orde heeft. Dan pas kan de IND asielzoekers met een gerust hart op het vliegtuig naar Athene zetten.

Effectieve, Europese samenwerking kan niet bestaan zonder goede bescherming van mensenrechten. Dat verklaart ook waarom het uitgesloten is dat een land toetreedt tot de EU als het geen partij is bij het EVRM. Het is al even ondenkbaar dat een EU-lidstaat het EVRM opzegt. Dat zou ook weinig zin hebben, nu het hele Unierecht al is doordesemd van de mensenrechten. Zo bezien bezegelt de toetreding van de EU tot het EVRM, waartoe de EU-lidstaten in het Verdrag van Lissabon hebben besloten, de feitelijke betekenis die EVRM nu al voor de EU heeft.

Geen regering vindt het leuk om veroordeeld te worden en geen politicus ziet zijn manoeuvreerruimte graag beperkt, maar op de keper beschouwd is elk land gebaat bij een goed ontwikkelde, Europese rechtsbescherming. Overtrokken kritiek op het Straatsburgse Hof draagt daaraan niet bij.

Rick Lawson is hoogleraar Europees recht, verbonden aan het Europa Instituut van de Universiteit Leiden.