Gemengde gevoelens over Murakami

Discussiëren over literatuur kan boeiend zijn, maar het heeft ook iets vergeefs. De een vindt dit, de ander dat, en nooit zullen ze het eens worden.

Je kunt elkaar proberen uit te leggen wat de schrijver bedoeld heeft, of niet, en dat hij daar een goede literaire vorm voor heeft gevonden, of niet, maar daarmee heb je nog niet bewezen dat het een goed boek is. Dat valt nu eenmaal niet te bewijzen, je kunt hooguit proberen duidelijk te maken waarom het boek je geraakt heeft, of niet.

Afgelopen zaterdag zat ik in het Theater aan het Spui in Den Haag in een literair forum met de critici Elsbeth Etty, Pieter Steinz en de schrijfster Sanneke van Hassel voor een zaal met Murakami-liefhebbers. Het betrof een aflevering van de NRC Leesclub Live tijdens het festival Writers Unlimited, dat vroeger naar de veel aardiger naam Winternachten mocht luisteren.

Ik kreeg compassie met het publiek want het forum had stevige kritiek op Murakami. Etty vond het zonder meer een verfoeilijke prutser en de andere drie waren gematigder, maar hadden toch ook de nodige kritiek, vooral op het boek dat centraal stond: de pas uitgekomen verhalenbundel Blinde wilg, slapende vrouw.

Zelf kampte ik nogal met gemengde gevoelens. Twee jaar geleden heb ik in deze rubriek beschreven hoezeer enkele romans van Murakami (Norwegian Wood en Kafka aan het strand) mij waren tegengevallen.

Wél had zijn novelle Ten zuiden van de grens eerder veel indruk op mij gemaakt. Tijdens het lezen van Blinde wilg, slapende vrouw ontstond dezelfde situatie: de meeste verhalen – zeventien om precies te zijn – vond ik zwak, de rest overtuigde me wel, vooral De zevende man, een meesterlijk verhaal.

Wat moest nu in mijn beoordeling van die bundel de doorslag geven? Die zeven verhalen of die zeventien? Beoordeel je een schrijver, een kunstenaar in het algemeen, op zijn zwakste of zijn sterkste werk?

Op het sterkste, zou ik zeggen, maar als het zwakste zo’n grote vijver wordt dat het sterkste er bijna in verdrinkt? Dan schaadt de schrijver op z’n minst zijn reputatie; voor zijn onsterfelijkheid als schrijver moet gevreesd worden.

Voor de Murakami-liefhebbers – en daar zijn er wereldwijd miljoenen van - is dit allemaal theorie. Wat ik zwak vind, vinden zij goed, en dat moeten ze vooral blijven vinden.

Wat mij meer bezighoudt, is de vraag waarom Haruki Murakami zo’n reusachtig groot en divers publiek aanspreekt. Hype? We zouden de schrijver en zijn lezers tekortdoen als we het bij die simpele verklaring lieten. Murakami behandelt zijn twee grote thema’s, dood en eenzaamheid, kennelijk zodanig dat hij er veel mensen mee aanspreekt.

Toen ik Blinde Wilg, slapende vrouw en ander werk nog eens goed doornam, zag ik hoeveel verhalen om dit gegeven draaien: er is liefde tussen twee mensen en vervolgens verdwijnt de een (vaak de vrouw) uit het leven van de ander. De achtergeblevene kan dat niet verdragen, hij is niet meer in staat zijn leven betekenis te geven en gaat te gronde.

Zoals de verlaten man in Mensetende katten die denkt: „Stel dat zij verdwenen was, dan had mijn bewustzijn geen lichaam om naar terug te keren.”

Met die zin verwoordt Murakami pregnant de angst van velen. Het is bovendien een mooie zin, zo mooi, dat ik Murakami nog niet opgeef.