Culturele woestenij op de kaart

De vierde van Europa wil het Rotterdams Film Festival zijn, dat morgen begint.

Maar écht toonaangevend is het festival niet. Daarvoor is de concurrentie te groot.

Uitgebreid wil festivaldirecteur Rutger Wolfson dit jaar niet stilstaan bij de geschiedenis: dat is meer iets voor het vijftigste jubileum. Wel wordt het komende Rotterdamse Film Festival een ‘XL-editie’ op 40 locaties, met een jubileumdocumentaire en een speciale competitie, Return of The Tiger Awards, voor gewezen deelnemers aan de Rotterdamse filmcompetitie.

Verder blijft het bij een enkele anekdote uit de oude doos op de website. Legendes uit de tijd dat Rotterdam nog een gapende niche vulde en de thuishaven was van een vaste clan: regisseurs als Werner Herzog en Hou Hsiao-hsien. Frans Westra, die in 1995 onder de titel Que Le Tigre Danse een biografie van oprichter Huub Bals en zijn festival schreef, ziet die glorietijd als een samenloop van omstandigheden. „Er was een nieuwe generatie filmmakers die niet aan de bak kwam. Bioscopen vertoonden hun films niet, het alternatieve circuit wilde harde politieke films waarin de marxistische heilstaat werd verkondigd, filmhuizen waren er nauwelijks.”

En er was Huub Bals. De Utrechtse netwerker en showman kreeg in 1971 een royaal budget om de culturele woestenij van Rotterdam op de kaart te zetten. Maar wat in 1972 nog Film International heette, begon nauwelijks bemoedigend. Bij de opening – de Iraanse film The Postman – zaten maar zeventien mensen in bioscoop Calypso. Tien jaar later stond Rotterdam internationaal bekend als een plek waar iets unieks gebeurde. Dat lag aan de niche van ‘kunstzinnige films’ die Bals had aangeboord, en aan zijn ongebreidelde energie, bluf en expansiedrang.

Lang kon die weelde niet duren. In Rotterdam doorgebroken filmauteurs verkasten naar grotere festivals, de concurrentie nam toe. Bals, die vanaf 1980 steeds vaker mopperde over ‘malaise’ in de filmwereld, ondervond al dat zijn festival vooral een opstapje naar Cannes, Venetië of Berlijn was. Hij reageerde door zijn films van steeds verder te halen, uit Latijns-Amerika, Azië of Afrika. Frans Westra: „Maar ook daar viel steeds minder te ontdekken.” Wel legde Bals de basis voor het Hubert Bals Fonds, dat filmmakers in de derde wereld helpt.

Veertig films en zo’n 7.500 kaartjes in 1972; 284 lange films, 462 korte films en 358.000 kaartjes vorig jaar. Het ‘kasplantje’ dat Rotterdam op de kaart moest zetten, is uitgegroeid tot het grootste culturele evenement van Nederland. Het programma telt dit jaar veel grote publieksfilms: 127 Hours, Black Swan, Somewhere, Never Let Me Go. Niet de grensverleggende cinema waaruit Rotterdams pioniersfunctie blijkt, maar volgens huidig directeur Wolfson passend in de bekende sandwichformule: „Sofia Coppola, maar ook die onbekende Thai.”

Wat dat betreft is het huidige festival evenzeer dat van Emile Fallaux als dat van Huub Bals. Na zijn dood in 1988 vond Rotterdam in de Italiaan Marco Müller nog een man met internationaal gezag in de filmwereld. Müller stortte een lawine van obscure titels over Rotterdam uit. Tegelijk ontsloeg de Italiaan bijna de gehele staf en liet Rotterdam achter met een gat van 4,5 ton.

Met Emile Fallaux, geen groot filmkenner, trad in 1991 nieuwe zakelijkheid in: Rotterdam stroomlijnde zijn programma en stelde zijn ambities bij. De nieuwe directeur was niet langer vooral filmgoeroe, maar manager. Westra: „Publiciteit werd het toverwoord.” Onder Fallaux’ opvolgers Simon Fields en Sandra den Hamer groeide Rotterdam van 150.000 naar 350.000 verkochte kaartjes.

Zo werd Rotterdam een mastodont, maar is het festival nog toonaangevend? Niet echt, denkt Westra. Dat ligt in zijn ogen vooral aan veranderingen in de filmbranche. Keken filmhuizen vroeger wat een film in Rotterdam ‘deed’, nu noopt de groeiende concurrentie zelf naar Cannes of Venetië te gaan en daar deals te sluiten. Westra: „Zelf kom ik de laatste drie jaar weinig in Rotterdam. Wat interessant is, heb je elders al gezien.” En toch aarzelt Westra niet om Rotterdam nog steeds het vierde filmfestival van Europa te noemen. Londen en Rome hebben meer sterren en glamour, Rotterdam houdt die unieke combinatie van groot publieksfestival en speelvijver voor jonge talent. Westra: „Jonge filmmakers zijn nog steeds opvallend enthousiast over Rotterdam.”

Toch uitte in 2008 de Raad van Cultuur scherpe kritiek bij zijn advies de subsidie voort te zetten. De Raad constateerde zelfgenoegzaamheid. Rotterdam zou te weinig ruimte bieden aan nieuwe programmeurs. De grote hoeveelheid derdewereldfilms van het Hubert Balsfonds zijn „helaas geen focus dat het festival vooruit helpt”. Rotterdam dreigde de aansluiting bij de avant-garde te verliezen en zou zich onvoldoende ontfermen over de Nederlandse artistieke film.

Festivaldirecteur Wolfson ergert zich nog altijd aan dat advies. „Wij zien het gewoon beter dan de Raad.” Op het punt van Nederlandse films is Rotterdam dit jaar mager bedeeld: behalve korte films gaat eigenlijk alleen de speelfilm Club Zeus van David Verbeek in première. Maar anders dan in de tijd van Bals ligt dat niet aan onwil maar aan het magere aanbod. In de kritiek op het Hubert Bals Fonds ruikt Wolfson angst het publiek af te schrikken met moeilijke films uit obscure landen. Een oud verwijt: de Rotterdamse bestuurder Kees Bode waarschuwde in 1985 dat het festival niet te verkopen was als het zich richtte op „producties uit Wakki-takkiland”.

Maar het mirakel van Rotterdam is juist dat het publiek zo massaal dat soort films bezoekt. Wolfson: „En voor ons is het Hubert Bals Fonds een machtige scoutingmachine. We krijgen scripts uit de hele wereld opgestuurd, daarom weten we vroeger dan andere festivals wat eraan komt. Het Fonds stak als eerste geld in Apichatpong Weerasethakul, die vorig jaar de Gouden Palm won met Uncle Bonmee.”

Maar weten is iets anders dan krijgen. Uncle Bonmee ging in Cannes in première, zoals echt succesvolle titels uit het fonds eerst vaak elders draaien.

Geluk bestaat uit het afzien van onrealistische verwachtingen. De gloriejaren van Huub Bals waren een uitzondering, geen norm. Frans Westra: „Dat Rotterdam een titel van de Berlinale kon wegkapen, is echt verleden tijd. Tegen de persdichtheid in Berlijn en de grotere Duitse markt kan Rotterdam gewoon niet opboksen. Dat is de realiteit, het heeft geen zin daarover te treuren.” Het kan ook geen kwaad om toonaangevend in Nederland te zijn.