Wat beweegt een mens om te gaan plunderen?

Zodra er zich ergens een grote ramp voltrekt, slaan plunderaars hun slag.

Wat drijft iemand die andermans huis leeghaalt? En gebeurt het wel echt zo vaak?

Een van de plunderaars van het huis van Belhassen Trabelsi, de zwager van de Tunesische president Ben Ali. Foto AP A man carries goods from the house of Belhassen Trabelsi, the brother of the former President's wife, Leila Ben Ali, in Sokra, 16 kms (10 miles) from Tunis, Saturday, Jan. 15, 2011. The Tunisian capital's main train station has been burned to the ground, and many shops have been sacked and looted in violence that came after the North African nation's president fled the country.(AP Photo/Hassene Dridi) AP

Als de zwager van de verjaagde Tunesische president Ben Ali binnenkort terugkeert naar zijn villa in Tunis, wacht hem een leeg huis. En leeg is hier een understatement; plunderaars maakten een totale chaos van het onderkomen van Belhassen Trabelsi, de broer van Ben Ali’s tweede vrouw. Alles wat los én vast zat namen ze mee: van meubels tot marmeren ornamenten. Wat overbleef, staken ze in brand. De muren van de ooit luxe villa zijn nu zwartgeblakerd, zo laat een reportage van de Britse omroep BBC zien.

Een paar continenten verderop kwamen media met soortgelijke berichten, al was de oorzaak totaal anders. Na de overstromingen in Queensland, Australië, arresteerde de politie vijftien man op verdenking van plunderen. Uit een schoenenzaak in Brisbane bijvoorbeeld namen dieven voor 50.000 Australische dollar aan schoenen mee. Elders in de stad werden twee jongens aangehouden omdat ze geld, eten en juwelen uit een verlaten huis hadden ontvreemd. „De dreiging van opportunistische criminele activiteiten is reëel en duurt voort”, zei een politiecommissaris tegen de Australische nieuwszender ABC.

Als de orde wegvalt, lijkt ook het in de samenleving gedeelde idee van bezit te vervagen. En dat gebeurt echt niet alleen in zwakkere staten, maar ook in Nederland. Na de vuurwerkramp in Enschede waren enkele huizenbezitters in de getroffen wijk een paar dagen later ook slachtoffer van inbraak. En toen voetbalclub Feyenoord in 1999 landskampioen werd, braken tijdens de huldiging rellen en plunderingen uit. Etalageruiten werden ingetikt, winkels bij benzinestations veranderden in een prooi. Wat drijft de plunderende mens?

Van oudsher is het woord ‘plunderen’ verbonden aan oorlogssituaties. In tijden van oorlog trokken bijvoorbeeld de Romeinen van dorp naar dorp. Hadden zij een nieuw dorp overwonnen, dan „verschoof daar het recht van bezit”, vertelt sociaal psycholoog Hans van de Sande. „Alles hoorde vanaf dat moment toe aan de overwinnaar: het graan en vlees, maar ook de vrouwen en kinderen.” Tijdens zulke veldtochten leefden de troepen van het land dat ze overwonnen.

Plunderen heeft nog steeds een primitieve, ‘anti-geciviliseerde’ connotatie, vertelt Van de Sande. „We vinden het een heftig woord, met een zware lading. Net als verkrachten.” Het fenomeen is ook nog altijd alleen tegen vijanden gericht. „Van vrienden plunder je niet.” Daarom roofden Tunesiërs de huizen van de schoonfamilie van hun voormalige president leeg; de bevolking had een gezamenlijke afkeer tegen die ‘nouveaux riches’-familie Trabelsi. Zij zijn nu verdreven, dus het volk geldt in dit geval als overwinnaar. „En zij waren er altijd o zo goed in om ons uit te zuigen, dus nu is het eens andersom.” Die gedachte gebruiken mensen als extra legitimatie voor hun daden, zegt Van de Sande.

Dat in Tunesië zoveel mensen meededen aan die plunderingen, heeft te maken met de massapsychologie. Als de „collectieve definitie van de situatie” verandert, legt massapsychoploog Jaap van Ginneken uit, dan kan pro-sociaal gedrag van mensen gemakkelijk in antisociaal gedrag omslaan. De massa was al ontevreden over het regime, en tijdens de rellen was in dit geval ook nog onduidelijk aan wiens zijde de bewapende macht eigenlijk stond. Groepen mannen raken opgewonden, ze pakken stokken en hakmessen als bewapening. Wilde geruchten doen de ronde en iedereen jut elkaar op. „Als dan één iemand over die drempel gaat, treedt er een zichzelf versterkend proces op”, zegt Van Ginneken. „Een beangstigend beeld.”

Ongeveer hetzelfde proces zie je bij rellen en plunderingen van voetbalhooligans. Drank en drugs tasten het inschattingsvermogen en het controlemechanisme aan, dat in de gaten houdt wat sociaal geaccepteerd gedrag is en wat niet. Daarbij komt het anonieme gevoel dat individuen krijgen in een groep: dat vermindert het zelfbewustzijn. Die de-individualisatie is een klassieke oorzaak van ‘regelloos’ gedrag, staat in het boekje Voetbal en geweld van het Crisis Onderzoeks Team Leiden over de Feyenoord-huldiging in 1999. Relschoppers imiteren elkaar, „het idee van individuele schuld viel tijdelijk weg” en dus zagen jongeren hun kans schoon om spullen uit winkels te stelen, vaak buiten het blikveld van de politie.

Bij plunderingen die tijdens natuurrampen optreden is er ook sprake van zulke massapsychologische effecten, maar het proces verloopt dan anders. Als je nagaat hoe groot het onder water gelopen gebied was in Australië, vindt Van Ginneken het aantal plunderingen – zeventien, van vijftien aangehouden verdachten – juist meevallen. „De diefstallen zijn daar beperkt gebleven tot een kleinere groep inbrekers, die waarschijnlijk al misdadig was en hier zijn kans schoon zag.” De vrees van mensen die hun huizen hebben moeten verlaten, is vaak veel groter dan het uiteindelijke aantal inbraken, zegt hij.

Bij rampen door natuurgeweld treden ook massapsychologische effecten op, ook daar versterkt een groep elkaars individuele gedrag. Alleen dan vaak op een positieve manier. Iedereen zit in hetzelfde schuitje, legt Van Ginneken uit. En de gezamenlijke vijand is geen regime, maar de natuur en dus helpen mensen elkaar. „Slechts een kleine groep zal misbruik maken van de situatie.”

Het Nederlands Instituut voor Fysieke Veiligheid (NIFV) deed onderzoek naar het gedrag van burgers in geval van rampen of zware ongevallen. Wat blijkt: alleen in zeer specifieke omstandigheden raken mensen in paniek, bijvoorbeeld als er geen vluchtroutes zijn of er een extreem groot gevaar in korte tijd opdoemt. Meestal helpt men elkaar. In studies over natuurrampen staat vermeld dat 60 tot 90 procent van de mensen niet wacht op hulpdiensten, maar zichzelf heeft gered of hulp heeft gekregen van familieleden, vrienden of buren.

Ook de gemeten criminaliteitscijfers in getroffen gebieden liggen tijdens en vlak na een ramp vaak lager dan in de normale situatie. Natuurlijk komt plunderen wel voor, schrijft het NIFV, maar niet in de mate waarin men het veronderstelt en waarop de professionele hulpverlening zich voorbereidt. En bovendien staat volgens het NIFV de definitie van plunderen niet voldoende vast: is water en voedsel verzamelen om in leven te blijven, ook plunderen?

Tot slot spelen media in de beeldvorming ook een belangrijke rol. Het onderzoeksrapport geeft een voorbeeld van berichtgeving rond de orkaan Katrina, in New Orleans in 2005. Waar kranten melding gaven van een plundering van een apotheek, blijkt achteraf dat de apotheker de betrokken mensen had gevraagd om zijn zaak te beschermen.

Wie tijdens zo’n ramp toch verlaten huizen of winkels plundert is waarschijnlijk extra gevoelig voor de afwezigheid van gezag, zegt sociaal psycholoog Van de Sande. Politie en andere hulpdiensten zijn drukbezet of mogelijk zelf ook slachtoffer. „De hoeders van de normen en waarden is dan afwezig. Iemand die normaal gesproken bang is voor straf, ruikt in zo’n geval zijn kans”, legt Van de Sande uit. Die gevoeligheid voor gezag verschilt van persoon tot persoon en bepaalt dat de een wel tot diefstal zal overgaan, en de ander niet. Precies zoals in het dagelijkse, ‘normale’ leven.