Poesiealbum uit Westerbork na 69 jaar terug bij eigenaresse

Vlak voor haar 80ste verjaardag krijgt Inge Winter het poesiealbum terug dat ze als 10-jarige in Westerbork kreeg

Woensdag, 26 januari, is het zeventig jaar geleden dat Inge Winter, een tienjarig Duits meisje, de eerste bijdrage kreeg in haar nieuwe poesiealbum. Het is geen lieflijk ‘vergeet-me-niet’-rijmpje, maar een versje over strijden en lijden: ‘...Vechten tegen leed en smart, Dat is ’t moeilijkst strijden’. Harde woorden voor een jong meisje, maar niet misplaatst, want ‘Inglein’ las ze in kamp Westerbork en ze had als dochter van een Duits-Joodse vluchteling sinds 1939 al vele omzwervingen gemaakt: Ze verbleef in Schoorl, Elspeet, Sluis. Na een mislukte tocht naar Calais belandde ze in Rotterdam, Arnhem en via de gevangenis in Hoorn arriveerde ze in juli 1940 in Westerbork, dat tot 1942 een opvangkamp was en nog geen doorgangskamp voor de Duitsers.

Hier kreeg ze het album, met het versje, van kennissen per post voor haar verjaardag, op 7 februari 1941. Bij hun ontslag uit het kamp op 14 juli 1942, vlak voor het eerste transport (haar vader was gemengd gehuwd en Inge half-Joods), ging het album mee naar Amsterdam. Hier raakte het zoek. Afgelopen vrijdag, vlak voor haar tachtigste verjaardag, kreeg ze het terug.

„Het is mijn boekje”, zegt ze lachend tegen verzamelaar Erik Zwiggelaar, die haar het boekje teruggeeft. „Maar, alsjeblieft, ik geef het je in eeuwigdurende bruikleen. Leuk dat ik het kan inzien, maar het hoort in jouw museum”, zegt ze tegen de overrompelde Zwiggelaar, die in Emmen een onalledaagse WO II-verzameling heeft. „En Erik, er is nog iets. Een zilversmid in het kamp maakte dit van een zilveren Wilhelmientje.” Vol overtuiging schenkt ze hem haar jeugdringetje met haar initialen.

Het ringetje en het album liggen in het museum van Zwiggelaar (www.ergensinnederland1939-1945.nl), in de vitrine ‘Bezetting’, samen met zinken muntjes, persoonbewijzen, knopen van Duitse uniformen en Winterhulp-attributen.

„Ik heb het nog nooit zo druk gehad”, zegt Inge Winter over haar huidige leven. Ze was tekenlerares op de Amsterdamse Huishoudschool. Ze is enig kind, trouwde niet. Ze vond het „heerlijk” om in 1951 Nederlandse te worden, maar vooral ook dat ze het „in haar eentje toch nog zo ver schopte”.

Ze is beduusd en ook enigszins verlegen met alle aandacht die het album teweegbrengt. Nooit sprak ze over Westerbork en niemand kent haar Duitse achtergrond. Maar afgelopen zondag vertelde ze haar verhaal aan de Joodse Omroep, die er een uitzending (Joods op zondag, radio 5) aan wijdde.

Een deel daarvan gaat over de vraag hoe Inge Winter het album kwijtraakte en hoe het opdook in Emmen. Vorige week pas hoorde ze dat haar moeder, de Duitse Käthe Emma Landwehrkamp (1896-1974), het album na de oorlog wilde weggooien. Ze gaf het aan haar werkster die nu in Emmen woont, waar het via haar kleinzoon juist op de school belandde waar Erik Zwiggelaar voordrachten houdt. „Ik kan me niet voorstellen dat mijn moeder het wilde weggooien”, zegt Winter, bij wie het album geen nare herinneringen oproept.

Voor haar moeder symboliseerde het verjaardagscadeau uit 1941 mogelijk de tegenspoed en ellende in het onherbergzame Westerbork. Ze belandde er vanwege haar huwelijk (1929) met de Joodse notaris Ernst Winter (1889-1955), die weliswaar protestants werd maar haar vlak na de Kristallnacht moest verlaten. Hij dook onder en vluchtte in 1938 per fiets naar Nederland, waar hij in april 1939 ‘rust’ vond in een Doopsgezind broederschapshuis in Schoorl. Hier voegde ze zich met Inge bij hem, hier leerde Inge haar eerste woorden Nederlands, maar hier begon ook een periode van ruim drie jaar, tot de zomer van 1942, zwerven en onvrijheid.

Uit die tijd dateren veel versjes. Haar vader wenst in 1941 dat ‘Inglein’ voordat ze ‘etwas tut’, haar ouders raadpleegt. Maar dat ze vooral haar ‘Gewissen folgt’ als het ‘leise spricht: Inglein, Inglein tue es nicht.’ Inge schaatste in het kamp toen hij dit schreef en ze viel ‘flink op haar gezicht’. De terugkeer naar Amsterdam inspireerde haar moeder, die eind 1942 dichtte: „Mein Kind, Du hast in jungen Jahren, Viel mitgemacht, viel Leid erfahren, ... werd du ein Mensch durch Leid gestählt, der tapfer seinen Weg sich wahlt”.

Voor haar was het moeilijk”, zegt Inge Winter, wijzend naar een foto van haar moeder, in een fotoalbum dat haar vader „nauwgezet samenstelde”. Hij fotografeerde ‘Inglein’ in 1936 in Essen, aan zee in Schoorl, in Sluis, Elspeet en zittend in het raamkozijn van barak 42.

Ook zijn er kiekjes van vrolijke meisjes zoals Tinie Wiltjer uit barak 38, die op 24 augustus 1941 in het poesiealbum een minder vrolijke bijdrage leverde. Ze tekende een bibberig lijntje en schreef eronder: „Zoo is de weg door ’t leven” en onder een rechte lijn schreef ze: „En zoo wensch ik hem u toe”.

Iedereen die in het album heeft geschreven, Joods of niet-Joods, heeft de oorlog overleefd. Velen zaten al in het vluchtelingenkamp Westerbork toen het begin juli 1942 een Durchgangslager werd. Ze kregen als oud-kampingezetenen een ‘Sperre’, die vrijstelling van transport betekende. Anderen kregen ontslag omdat ze gemengd gehuwd waren of, zoals Inge Winter, half-Joods.

„Dat heeft me gered, maar ik had het niet slecht hoor, in Westerbork,” vertelt Inge Winter. „Ik leerde er en ik speelde zelfs Heinerle in de operette Der Fidele Bauer,” zegt ze. „En deze marechaussee wilde een foto met mij als Heinerle. Hij bedankte me met maar liefst drie pond bonbons.”